opinie

Elke dag telt voor het verhogen van de werkzaamheidsgraad

Hoogleraar milieu-economie Universiteit Gent

België mikt op een toename van de werkzaamheidsgraad die geen enkel West-Europees land ons heeft voorgedaan. De vraag is dus hoe realistisch die ambitie is.

In tijden van crisis kijken we allemaal naar de overheid. Een ambitieus publiek investeringsprogramma biedt perspectief op een duurzame relance en bereidt onze maatschappij voor op de vele uitdagingen na corona. Maar onze overheid heeft geen investeringscultuur. Na 1980 werden de publieke investeringen fors afgebouwd, om na 1990 rond 2,25 procent van het bruto binnenlands product (bbp) te schommelen. Een ander pijnpunt is de timing van de investeringsfactuur. We kijken nu vooral naar de coronarekeningen, maar door de vergrijzing zullen de pensioen- en gezondheidszorguitgaven tussen 2018 en 2040 samen stijgen met 4,7 procent van het bbp.

Om een escalatie van de overheidsschuld te vermijden is het verhogen van de werkzaamheidsgraad essentieel. Hoe meer mensen werken, hoe breder de fiscale basis is. De federale regering wil de werkzaamheidsgraad tegen 2030 verhogen tot 80 procent, wat neerkomt op een toename met 10 procentpunten in een decennium. Die doelstelling lijkt haalbaar. In Nederland en Duitsland is vandaag iets meer dan 80 procent van de bevolking tewerkgesteld, terwijl Zweden, IJsland en Zwitserland met een tewerkstellingsgraad van ongeveer 82,5 procent pronken.

De essentie

  • De auteur: Johan Albrecht is professor economie aan de Universiteit Gent en senior fellow bij Itinera Institute.
  • De kwestie: Het verhogen van de werkzaamheidsgraad met 10 procentpunten in tien jaar is niet vanzelfsprekend in Europa, zelfs niet met verregaande hervormingen.
  • Het besluit: Er valt geen tijd te verliezen als België de werkzaamheidsgraad naar 80 procent wil brengen.

We willen intussen al een kwarteeuw onze werkzaamheidsgraad verhogen. Zo wilde het Generatiepact uit 2005 vooral de toegang tot het brugpensioen beperken. De vele maatregelen hebben zeker een impact gehad, maar in de andere landen van de eurozone is de werkzaamheid sinds 2000 sterker gestegen dan bij ons. Een inhaalbeweging behoort zeker tot de mogelijkheden, maar het verhogen van de werkzaamheidsgraad met 10 procentpunten tegen 2030 is geen evidentie.

Het verhogen van de werkzaamheidsgraad met 10 procentpunten tegen 2030 is niet vanzelfsprekend.

Uit cijfers van Eurostat blijkt dat de werkzaamheidsgraad in zeven Europese landen tussen 2000 en 2019 met meer dan 10 procentpunten steeg: Duitsland (+11,9 %), Polen (+12%), Estland (+13,7%), Letland (+13,8%), Litouwen (+12,7%), Hongarije (+14,1%) en Bulgarije (+ 19,7%). Dit lijstje telt vooral landen waarvan de economie in 2000 nog volop aan het overgaan was van een centraal geleide planeconomie naar een markteconomie.

Met de eenmaking in 1990 moest het nieuwe Duitsland de DDR als voormalige planeconomie integreren en hervormen. Die integratie verliep moeizamer dan verwacht, maar bood de voedingsbodem voor de Hartz-hervormingen van de Duitse arbeidsmarkt tussen 2003 en 2005. Die hervormingen werden ondersteund door ingrijpende aanpassingen in de sociale zekerheid en de fiscaliteit van de lagere inkomens uit arbeid.

Zelfs met ingrijpende hervormingen duurde het 14 jaar om de Duitse werkzaamheidsgraad met 10 procentpunten te verhogen.

Een deel van die hervormingen was controversieel, maar de Duitse werkzaamheidsgraad steeg tussen 2005 en 2019 van 70 naar 80 procent. Zelfs met ingrijpende hervormingen duurde het 14 jaar om de Duitse werkzaamheidsgraad met 10 procentpunten te verhogen.

Ter vergelijking: in Nederland duurde het 22 jaar om de werkzaamheidsgraad van 70 procent in 1997 op te trekken naar 80 procent in 2019. Tsjechië klaarde die klus in 15 jaar. En Estland geeft iedereen het nakijken met een forse toename van de werkzaamheidsgraad - van 70 naar 80 procent - in slechts acht jaar. Dat exploot is echter vooral het neveneffect van de financieel-economische crisis, waardoor de werkzaamheidsgraad in Estland daalde van 77,1 procent in 2008 tot 66,8 procent in 2010. Tijdens het herstel nadien kon Estland de werkzaamheidsgraad laten doorgroeien tot 80,2 procent in 2019.

Huzarenstukje

België ambieert een toename van de werkzaamheidsgraad die geen enkel West-Europees land ons heeft voorgedaan. En voorlopig blijft het zeer stil over ‘Hartz-achtige’ hervormingen die dat huzarenstukje moeten mogelijk maken. Voorts valt op dat de Belgische werkzaamheidsgraad tussen 2008 en 2015 min of meer vlak bleef, alsof er nooit een financieel-economische crisis is geweest. Ook het coronavirus leidt niet direct tot grote schommelingen in de tewerkstellingscijfers.

De vlakke werkzaamheidsgraad kan een symptoom zijn van een statische economie met een hoge publieke tewerkstelling.

De vlakke werkzaamheidsgraad kan een symptoom zijn van een statische economie met een hoge publieke tewerkstelling die amper of niet kan reageren op een nieuwe crisis of op technologische veranderingen. Het aantal distributiecentra net over de Nederlandse grens nam in zeven jaar fors toe, met 19.000 Nederlandse jobs als bonus. Bij ons gebeurde weinig of niets.

Onze tewerkstelling reageert wel fors op stress. Volgens het Riziv zijn 112.000 werknemers en zelfstandigen langdurig arbeidsongeschikt wegens burn-outs en depressies. Dat is een toename met 40 procent in vier jaar. Het coronavirus plaatste ons voor een unieke gezondheidsuitdaging, maar ons land telt ook 470.000 langdurig zieken.

Mits ingrijpende hervormingen kan de werkzaamheidsgraad zeker toenemen, maar het blijft afwachten of we daardoor de fiscale basis verbreden. Gezien de verwachte daling van het aandeel van de bevolking op arbeidsleeftijd kan een beperkte toename van de werkzaamheidsgraad niet voorkomen dat het absolute aantal werkenden en de fiscale basis toch krimpen.

Hoe langer we treuzelen, hoe lager het rendement van zelfs een sterke toename van de werkzaamheidsgraad. Net zoals in de strijd tegen het virus telt elke dag.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud