opinie

En de pensioentrofee van 1.500 euro gaat naar...

Pensioeneconome KU Leuven

Langer hebben gewerkt dan anderen en soms een lager pensioen krijgen dan hen. Je zou denken dat dat een van de eerste onrechtvaardigheden zou zijn die de volgende minister van Pensioenen de wereld uit helpt. Voor de Vivaldi-regering moet deze wereldvreemde situatie blijkbaar mogelijk blijven.

Laten we er toch van uitgaan dat het niet een Caroline wordt die de trofee van 1.500 euro krijgt. Caroline kwam op haar 59ste aan een loopbaan van 6 jaar werken en 33 jaar werkloosheid. Als zij nog een paar jaar in de werkloosheid blijft en wacht tot 65 om haar pensioen aan te vragen, dan wordt dat pensioen 1.500 euro (in plaats van de 1.134 euro mocht ze het op haar 60ste opvragen).

©rv

Dat zou gebeuren indien men geen voorwaarde over effectief gewerkte jaren zou opleggen. Daar is onbegrijpelijkerwijze nu nog geen duidelijkheid over. Maar zelfs mocht de trofee van 1.500 euro niet naar Caroline gaan, dan nog zou haar pensioen aangroeien tot 1.234 euro volgens het huidige systeem, gewoon door te wachten tot haar 65 om haar pensioen aan te vragen. En er is geen indicatie in het regeerakkoord dat het huidige pensioenstelsel, met gelijkgestelde periodes voor een 30 jaar durende werkloosheid, wordt hervormd.     

Ter vergelijking, het pensioen van Virginie - 40 jaar gewerkt als zelfstandige - bedraagt 925 euro.  Als zij de komende vijf jaar niet meer werkt en zoals Caroline wacht met het opnemen van haar pensioen, krijgt ze een pensioenbedrag dat vanaf dan niet aangroeit per niet-gewerkt jaar, en al zeker niet tot 1.500 euro.    

De totale afwezigheid van een pensioenhervorming inzake gelijkgestelde periodes heeft pijnlijk genoeg als gevolg dat er amper budget kan worden vrijgemaakt om van het pensioen een echte sociale verzekering te maken. Wat het pensioen ooit wel was.

Een substantiële verbetering van het pensioen als sociale verzekering kan nochtans perfect samengaan met bijvoorbeeld een beperking van de werkloosheid in de tijd. Voor bijvoorbeeld een Noorse of Nederlandse werkloze telt 24 maanden werkloosheid mee voor zijn pensioen. En dat zijn landen waar de armoede bij 65-plussers lager is dan in België.

Een andere optie is de afbouw van de gelijkgestelde periodes voor langdurig werklozen in de pensioenberekening. Maar laat dat nu net datgene zijn waarvan Gwendolyn Rutten (Open VLD) John Crombez (sp.a) op 3 september 2017 in 'De zevende dag' verzekerde dat dat niet zou gebeuren. De totale afwezigheid van een hervorming van de gelijkgestelde periodes heeft als gevolg dat amper budget kan worden vrijgemaakt om van het pensioen een echte sociale verzekering te maken. Wat het pensioen ooit wel was.

Naast onrechtvaardigheden tussen stelsels binnen één generatie, is er ook de kwestie van de solidariteit tussen de generaties. Een heel hoofdstuk uit het regeerakkoord is gewijd aan duurzaamheid. ‘A sustainable system meets the needs of the present generation without compromising the ability of future generations to meet their own needs’, klonk het in 1987 in het rapport van de Brundtland-commissie over duurzame ontwikkeling. Die definitie wordt meestal aangehaald in de context van het redden van onze planeet van de opwarming. Maar ze zou ook van toepassing moeten zijn op de pensioenen. 

Duurzaamheid is blijkbaar een loos begrip in het pensioenhoofdstuk. Er komt een zware recurrente factuur af op de klimaatjongeren.

Maar duurzaamheid is een loos begrip in het pensioenhoofdstuk. Er komt een zware recurrente factuur af op de klimaatjongeren. De ‘1.500-trofee’ valt niet bepaald onder de productieve investeringen die langetermijngroei voortbrengen. Volgens het Planbureau kost een verhoging van het minimumpensioen tot 1.500 euro netto 3,2 miljard extra per jaar en tot 1.500 bruto 1 miljard extra per jaar. Die factuur moet worden gefinancierd met belastingverhogingen of doorgeschoven worden naar de volgende generatie via een stijging van de vergrijzingskosten.

De Belgische vergrijzingskosten, uitgedrukt als meerkosten in procent van het bruto binnenlands product (bbp) per jaar tussen nu en bijvoorbeeld 2040, behoren nu al tot de top drie van de EU. Volgens het verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (2020) gaat het om een stijging met 5 procentpunten van het bbp tegen 2040. Meer nog: de toename is geconcentreerd in de periode 2019-2025: van 24,8 procent in 2019 naar 27,6 procent in 2025 en 29,8 procent in 2040. De pensioenuitgaven stijgen sneller dan het bbp.

Private sector

Dat zijn de vergrijzingskosten waar al decennialang op gehamerd wordt. Daarvoor werd de Vergrijzingscommissie opgericht, de Academische Pensioencommissie, de Ageing Group bij de Europese Commissie. De dreigende factuur zette beleidsmakers in alle OESO-landen de afgelopen decennia aan tot pensioenhervormingen. Ook in België, maar dan vanuit de motivatie niet te belanden op het Europees strafbankje.    

In de private sector betekent dit, volgens het Planbureau, 1,7 tot 2,1 miljard euro per jaar bijkomende pensioenuitgaven. Als u weet dat dit de jaarlijkse grootteorde is van de pensioenkost, dan tart het werkelijk alle verbeelding dat de overheid zou overwegen om die meerkost van 1,7 à 2,1 miljard euro nog eens te verhogen (+ 3,2 of +1 miljard), zonder tegelijk duidelijk te zeggen hoe dit gefinancierd is, niet enkel tot 2024, maar vooral nà 2024.  

De regering geeft in het regeerakkoord enkel aan dat ze dit beseft: ‘Tegen 2040 zal de kost van de vergrijzing, in het bijzonder met betrekking tot pensioenen, verder stijgen.’ Om vervolgens af te sluiten: ‘De regering bekijkt welke hervormingen doorgevoerd kunnen worden om de financiële en sociale houdbaarheid te garanderen.’ Gelukkig. Ze gaan het bekijken.

Marjan Maes

Pensioeneconome KU Leuven

Lees verder

Gesponsorde inhoud