opinie

Europese belastingen op techgiganten en multinationals zijn niet voor morgen

Hoogleraar Internationaal & Europees belastingrecht KU Leuven

Europa wil zijn eigen budgettaire middelen versterken met belastingen op multinationale bedrijven, maar de Europese architectuur zit vol obstakels.

De voorbije maanden bereikten de Europese regeringsleiders en het Europees Parlement een politiek akkoord over een Europese meerjarenbegroting van 1.090 miljard euro. Daarbovenop mag de EU 750 miljard euro lenen op de financiële markten om de economische gevolgen van de covidcrisis op te vangen en de gelden in de vorm van leningen aan de lidstaten ter beschikking te stellen.

©RV DOC

Volgens het EU-verdrag wordt de Europese begroting volledig uit ‘eigen middelen’ gefinancierd. Het begrip ‘eigen middelen van de EU’ is misleidend. Ze zijn immers voor meer dan 80 procent afkomstig uit een percentage van het bruto binnenlands product (bbp) van de lidstaten en van de door de lidstaten geïnde btw. Die eigen middelen volstaan niet meer om de ambities van de EU waar te maken en om haar verplichtingen onder de covidleningen na te komen.

Het akkoord voorziet daarom in nieuwe ‘eigen middelen’: milieuheffingen (zoals een taks op niet-recycleerbaar plastiek en een CO2-invoertaks) en nieuwe omzet-en winstbelastingen, waaronder een belasting op digitale diensten en op de winst van multinationals. De bedoeling is duidelijk: niet de doorsnee EU-burger draait op voor de kostprijs van de Green Deal en het covidherstelplan, maar de niet-Europese vervuilers, de Amerikaanse techgiganten en de multinationals die actief zijn op de Europese markt.

Hongarije en Polen liggen dwars. Maar zelfs als de EU die horde neemt, is het onzeker dat de voorgestelde belastingen snel ‘eigen middelen’ worden.

Het akkoord vereist dubbele unanimiteit. De Europese Ministerraad moet het eenparig goedkeuren en daarna moeten de parlementen van alle lidstaten het bekrachtigen. Omdat het akkoord het uitbetalen van gelden aan de lidstaten verbonden heeft aan het naleven van de eerbiediging van de rechtsstaat, liggen Hongarije en Polen dwars. Maar zelfs als de EU deze horde neemt, is het onzeker dat de voorgestelde belastingen snel ‘eigen middelen’ worden.

In de huidige stand van de verdragen kan de EU immers geen belastingen heffen en bestaan er dus geen Europese belastingen. Als de Unie belastingen als ‘eigen middelen’ wil zien binnenstromen, moet ze erop rekenen dat de lidstaten bereid zijn haar een deel van hun belastingen af te staan. Idealiter gaat het dan om nationale belastingen die in de EU geharmoniseerd zijn - zoals nu het geval is met de btw - en die tot een Europese bevoegdheid behoren, zoals milieu of interne markt. Een dergelijke harmonisatie vereist opnieuw de unanieme goedkeuring door alle lidstaten.

Land van consument

De belasting op digitale diensten waarvan sprake is in het akkoord, is niet noodzakelijk de geharmoniseerde belasting van 3 procent op de opbrengsten van digitechgiganten uit het ontwerp van Europese richtlijn van 2018 (de DST, digital services tax). De Commissie blijft immers voorstander van de oplossing waaraan de OESO op mondiaal niveau werkt, maar waarvoor het nog wachten is tot de zomer van 2021. Onder dat OESO-voorstel wordt een deel van de winst van digitale dienstenverleners (zoals Facebook en Google) en van zogenaamde ‘consumer facing businesses’ (zowel de online als de traditionele verkoop van goederen) belast in het land van de consument, ook al is het bedrijf daar fysiek niet gevestigd.

Zo’n belasting lijkt me geen goede kandidaat voor de ‘eigen middelen’ van de EU. De opbrengst wordt immers aan het land van de consument toegewezen, niet op grond van Europese harmonisatiewetgeving maar van een nieuwe regel van internationaal verdragsrecht. En waarom zouden de lidstaten bereid zijn die bijkomende belastingopbrengsten aan de EU af te staan, nu ze die zelf nodig hebben om hun eigen covidtekorten te dekken?

Het lijkt onwaarschijnlijk dat de andere lidstaten in een handelsoorlog met de VS betrokken willen geraken omwille van een belasting die ze aan de EU moeten afstaan.

Als de EU van een geharmoniseerde DST een ‘eigen middel’ wil maken, zal ze moeten bereiken dat alle lidstaten haar voorstel uit 2018 aanvaarden. Luxemburg (het Europese hoofdkwartier van Amazon), Ierland (Google) en Zweden (Spotify) verzetten zich. De DST’s treffen bijna enkel Amerikaanse techbedrijven. Lidstaten die, los van het EU-voorstel, nu al een DST hebben ingevoerd - zoals Frankrijk - zijn door de VS getrakteerd op vergeldingssancties in de vorm van heffingen op de invoer van hun producten in de VS. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de andere lidstaten in een handelsoorlog met de VS betrokken willen geraken omwille van een belasting die ze aan de EU moeten afstaan. De opbrengst van een DST mag trouwens niet worden overschat. De oorspronkelijke raming van 5 miljard euro per jaar voor de hele Unie werd onlangs bijgesteld tot 1,3 miljard. Dat is een druppel op de hete plaat van het EU-budget.

Kleine lidstaten

Om van de vennootschapsbelasting op multinationals een ‘eigen middel’ te maken, moet de EU die belasting eerst harmoniseren. Haar voorstel voor een ‘Gemeenschappelijke Geconsolideerde Belastinggrondslag’ (CCCTB in het jargon) dateert al van 2011 en beoogt de herverdeling van de winst van grote multinationale groepen onder de lidstaten aan de hand van een aantal parameters. Die werken in het nadeel van kleine niet-industriële lidstaten, waardoor unanieme steun voor het voorstel een illusie blijft zolang het niet fundamenteel wordt herbekeken.

Ik hoor u zeggen: schakel over naar een gekwalificeerde meerderheid voor belastingen in de EU. Alle begrip, maar daarvoor is unanimiteit in alle nationale parlementen én vervolgens in de Europese Raad vereist.

Luc De Broe

Professor Internationaal en Europees fiscaal recht (KU Leuven)

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud