opinie

Frank Vandenbroucke: 'Uitgelezen kans voor vereenvoudiging pensioenen'

Niks is zo complex als vereenvoudigen, omdat er altijd potentiële winnaars en verliezers zijn. Nochtans is een verbetering van de minimumregelingen een uitgesproken kans om het pensioenstelsel te vereenvoudigen.

Door Frank Vandenbroucke, hoogleraar Universiteit Amsterdam, pensioenexpert en gewezen sp.a-minister

Een minimumpensioen van 1.500 euro: de politieke eensgezindheid daarover is groot. Dat is begrijpelijk, het doorsnee pensioen van een werknemer of een zelfstandige is niet genereus. Ik zal het niet hebben over de vraag welke verhoging betaalbaar is. Met het huidige overheidstekort wordt het een huzarenstuk om te midden van allerlei besparingen ruimte te vinden voor extra uitgaven.

©ILVY NJIOKIKTJIEN_belga

Maar veel hangt af van de concrete aanpak. In welk jaar moet het minimumpensioen de drempel van 1.500 euro bereiken? Neemt men indexeringen en welvaartsaanpassingen die de komende jaren op stapel staan mee als tussenstappen? Het antwoord op deze en andere vragen bepaalt het budgettaire plaatje. Op langere termijn helpt het dat de ‘normale loopbaan’ die recht geeft op een volledig minimumpensioen op 45 jaar blijft, en dat de geplande verhogingen van de pensioenleeftijd gehandhaafd blijven.

Communicatie

Zonder ze te vergeten, laat ik de budgettaire zorg even terzijde. Er is nog een andere zorg. Politici die inzetten op het ronde bedrag van bruto 1.500 euro mogen niet onderschatten hoe moeilijk de publieke communicatie is wanneer het minimumpensioen wijzigt. Er is niet alleen het verschil tussen bruto en netto. Mensen met een klein pensioen die om een of andere reden geen recht hebben op een minimum, merken niets. De gepensioneerden die dankzij een minimum van 1.500 euro vooruit gaan, zullen verbeteringen ervaren van 1 euro of 5 euro extra per maand tot - afhankelijk van de manier en het moment waarop dit ingevoerd wordt - 100 euro en meer extra per maand.

In de praktijk riskeert je onbegrip, frustratie, of zelfs het gevoel dat men bij de neus genomen is

Wat simpel klinkt, leidt in de praktijk tot eindeloze variatie en veel vragen. Technisch is er altijd een goede uitleg voor. Sommige mensen hebben een pensioen dat al dicht tegen het nieuwe minimum zit, waardoor de verbetering beperkt is. Andere mensen hebben geen volledige loopbaan en voor hen is niet het mooie bedrag van 1.500 euro maar een lager minimum van toepassing.

Nog andere mensen krijgen een bijstandsuitkering (de Inkomensgarantie voor Ouderen) bovenop hun wettelijk pensioen: wat ze winnen aan pensioen verliezen ze grotendeels in de bijstand. Dan is er nog het onderscheid tussen een pensioen aan gezinstarief en een pensioen aan het tarief van ‘alleenstaande’, waardoor vergelijkingen die gepensioneerden onder elkaar maken nog eens moeilijker worden.

In de praktijk riskeert je onbegrip, frustratie, of zelfs het gevoel dat men bij de neus genomen is. Heldere en zorgvuldige communicatie is aangewezen, maar dat volstaat niet.

Drie regelingen

Het minimumpensioen is een ingewikkelde kwestie. Voor werknemers gelden er drie regelingen die gelijktijdig van toepassing zijn: het wettelijk gewaarborgd minimum volgens het zogenaamde ‘strenge criterium’, het wettelijk gewaarborgd minimumpensioen volgens het zogenaamde ‘soepele criterium’, en het minimumrecht per loopbaanjaar.

De drempels die mensen uitsluiten van minimumrechten zijn het knelpunt: ze hebben een logica, maar leiden altijd tot boosheid

Elk van deze regelingen hanteert eigen en complexe drempels. Hoeveel dagen moet je gewerkt hebben opdat een jaar in aanmerking komt als een loopbaanjaar? Hoeveel jaren moet je loopbaan tellen om in aanmerking te komen voor het minimumpensioen? En voor wie qua loopbaan over deze of gene drempel geraakt, worden vervolgens verschillende regels gehanteerd voor de berekening van het minimum waar men concreet recht op heeft. Dan zijn er de niet zo eenvoudige bepalingen voor mensen met gemengde loopbanen als werknemer, zelfstandige en/of ambtenaar. Vervolgens is er de Inkomensgarantie voor Ouderen.

De drempels die mensen uitsluiten van minimumrechten zijn het knelpunt: ze hebben een logica, maar leiden altijd tot boosheid. In de zogenaamde ‘strenge regeling’ krijgt iemand met een loopbaan van 31 jaar (met voldoende gepresteerde dagen per jaar) toegang tot een minimum waar iemand met een loopbaan van 29 jaar helemaal geen toegang toe heeft. Met name mensen met onvolledige en/of deeltijdse loopbanen vallen door de mazen van het net van deze regeling.

Rechtvaardigheid

Precies daarom zijn in het verleden naast de ‘strenge’ regeling nog twee andere regelingen ingevoerd voor werknemers, met meer soepele drempels. Zo kregen veel mensen met deeltijdse en kortere loopbanen nu ook een minimumbescherming. Het resultaat vormt een zeker evenwicht, maar het is in al zijn nuances behoorlijk ingewikkeld. Rechtvaardigheid is altijd ingewikkeld, maar een zekere vereenvoudiging dringt zich toch op.

Het volstaat niet dat de regels rechtvaardig zijn, mensen moeten kunnen begrijpen waarom ze rechtvaardig zijn

Dat was ook het pleidooi van de Commissie Pensioenhervorming in 2014: verbeter en vereenvoudig de minima. Het volstaat niet dat de regels rechtvaardig zijn, mensen moeten kunnen begrijpen waarom ze rechtvaardig zijn. Dat geldt voor pensioenen nog meer dan in andere beleidsdomeinen.

Helaas is niets ingewikkelder dan vereenvoudigen. De paradox is bekend. Bij een vereenvoudiging zijn er altijd potentiële winnaars en verliezers. Zelfs als men er voor zorgt dat in de praktijk niemand van de huidige gerechtigden achteruit gaat, dan nog worden vergelijkingen gemaakt tussen theoretische typegevallen in de oude en in de nieuwe regeling. Dat blokkeert vaak de politieke discussie over vereenvoudiging.

Scenariostudie

Daarom is het simpeler om vereenvoudiging te  koppelen aan een algehele verbetering van een sociale regeling: zo kan je er voor zorgen dat er voor iedereen ook enige verbetering in zit. Sterker, een verbetering van de minimumregelingen is een uitgesproken kans om te vereenvoudigen.

De informateurs Joachim Coens en Georges-Louis Bouchez kunnen aan de Federale Pensioendienst, het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en het Kenniscentrum voor Pensioenen vragen of een beter minimumpensioen ook eenvoudiger kan worden. Een scenariostudie zou nuttig zijn. Ze kunnen daar meteen een vraag aan toevoegen: hoe kunnen een verbeterd minimumpensioen en een efficiënte pensioenbonus - een aanmoediging voor wie langer doorwerkt - samen sporen. Want ook dat leidt tot onbegrip en frustratie: dat wie langer werkt daarvoor haast geen enkele beloning krijgt.  

 

Lees verder

Gesponsorde inhoud