opinie

Geen duurzame toekomst met verouderde juridische recepten

De pandemiewet is nu alles wat de juridische klok slaat. Ondertussen blijft regelgeving die bepalend is voor de duurzame toekomst van onze samenleving buiten de schijnwerpers. Nochtans negeert die regelgeving die toekomst en zet ze zelfs op het spel.

Boeken 1 en 5 van het nieuw Burgerlijk Wetboek werden voor aanneming in de Kamer neergelegd. Ze gaan over het verbintenissenrecht, dat de basisregels bevat van ons (economisch) handelen en onze aansprakelijkheid.

Het is dankzij die regels dat we afspraken kunnen maken die juridisch afdwingbaar zijn. Ondernemingen maken er handig gebruik van om hun economische en financiële activiteiten te ontplooien. Intussen is gebleken dat die regels het ondernemingen mogelijk maken ten koste van de collectiviteit excessieve winsten binnen te rijven, onder andere doordat de risico’s en de kosten van hun activiteiten kunnen worden afgewenteld op anderen.

Kortom, als economische activiteiten, sinds zo'n 50 jaar hier en elders het klimaat en de ecologie ontregelen, financiële, economische en gezondheidscrisissen veroorzaken en de inkomsten- en vermogensongelijkheden op de spits drijven, dan is dat mede door die regels.

Wereldwijd wordt door politicologen, sociologen, historici, moraalfilosofen, psychologen en economen aangetoond dat de ontregeling van het klimaat en de ecologie, de financiële, economische en gezondheidscrisissen en de inkomsten- en vermogensongelijkheden door oude economische en juridische recepten wordt veroorzaakt en daarmee niet onder controle zijn te krijgen

Wie gelet op de vele waarschuwingen verwacht dat de hercodificatie van het verbintenissenrecht wordt gebruikt om die bedreigingen voor de samenleving aan te pakken, komt van een koude kermis thuis. Elke reflectie daarover ontbreekt.

De excessen en crisissen waar we de jongste 50 jaar mee geconfronteerd zijn, tonen helaas maar al te goed aan hoe het fout kan lopen wanneer het lot van het algemeen belang wordt overgelaten aan de partijen en de rechter.

De voorstellen strekken ertoe de wetgeving in overeenstemming te brengen met de rechtspraak en meerderheidsdoctrine. Toch zou het niet louter om een codificatieoefening of technische aanpassing gaan, nu ook getracht wordt ‘een nieuw evenwicht te vinden tussen de wilsautonomie van de partijen en de rol van de rechter als behoeder van de belangen van de zwakke partij en van het algemeen belang.’

De voorstellen nemen een loopje met de grondwet: het komt niet toe aan de partijen of de rechter, maar aan de wetgever om over het algemeen belang te waken waartoe zowel de begrenzing van de wilsautonomie, als de bescherming van de zwakke partij behoort. De excessen en crisissen waar we de laatste 50 jaar mee geconfronteerd zijn, tonen helaas maar al te goed aan hoe het fout kan lopen als het lot van het algemeen belang wordt overgelaten aan de partijen en de rechter.

Voortploeteren

De voorstellen bouwen voort op het economisch liberalisme van de 19de eeuw, toen een kleine, mannelijke minderheid (3 tot 5% van de bevolking) alle politieke, economische en financiële macht met strenge hand controleerde. Die minderheid maakte het verbintenissenrecht op de maat van haar belangen: de snelle aangroei van inkomsten en vermogens, wat ook zo is uitgekomen.

Ondanks de democratische kanteling van de politieke macht rond het midden van de 20e eeuw besliste de rechtspraak dat de wetgever niet in private rechtsverhoudingen moet tussenkomen, die integendeel zoals in de 19e eeuw door de partijen en de rechter zijn te regelen : wat goed is voor de partijen, zou per definitie goed zijn voor het algemeen welzijn.

Het verbintenissenrecht bleef dus in de greep van het 19de-eeuwse economisch liberalisme en verscherpte via de rechtspraak vanaf de jaren 1980 tot neoliberalisme.

De mechanismen die de elitaire wetgever uit 1804, toen het Burgerlijk Wetboek ontstond, inbouwde om zich tegen de economisch en financieel sterksten uit de elite te beschermen, werden door de rechtspraak afgebouwd. Nu wordt dus voorgesteld om die ontwikkeling wettelijk te verankeren en de overblijvende controlemechanismen op te geven of verder af te zwakken.

Zo wordt de kernbepaling dat overeenkomsten geen afbreuk mogen doen aan wetten die de openbare orde en de goede zeden aanbelangen uit het Burgerlijk Wetboek geschrapt, hoewel die nog altijd geldt in onze buurlanden. Dankzij die bepaling is het mogelijk controle uit te oefenen over het private handelen en activiteiten waardoor de samenleving schade wordt toegebracht te weren als ongeoorloofd.

De mogelijkheid om risico’s, kosten of schade af te wentelen op de samenleving of op de planeet wordt in de voorstellen niet aangepakt.

Door die controle te beperken tot enkele aspecten bij de totstandkoming van overeenkomsten, door elke duiding van wat de openbare orde en de goede zeden aanbelangt uit de weg te gaan en door de nietigheidssanctie bij ongeoorloofd handelen uit te hollen, wordt de controle daarop nietszeggender. De mogelijkheid om risico’s, kosten of schade af te wentelen op de samenleving of op de planeet wordt in de voorstellen niet aangepakt.

Miskenning van democratisch gedachtegoed

Historisch onderzoek toont aan dat de duurzaamheid van de samenleving onherroepelijk wordt aangetast wanneer, onder bescherming van rechtsregels, wordt geduld dat de financieel en economisch sterksten zich onbeperkt verrijken door activiteiten waarvan zij de risico’s, kosten en schade op de collectiviteit of de planeet afschuiven.

Professor Katharina Pistor toonde aan hoe de sterksten, altijd opnieuw en in nieuwe vormen, het privaatrecht inzetten als instrument van vermogensaccumulatie ten koste van ‘de anderen’.

Daardoor komt het zover dat hun belangen zwaarder op de besluitvorming wegen dan de klimaat- en ecologische ontregelingen die hun activiteiten veroorzaken, de sterk ongelijke levensomstandigheden waartoe de inkomens - en vermogensongelijkheden leiden en de miskenning van het democratische gedachtegoed waaraan zij zich schuldig maken.

Geen uitstel

Beterschap is niet van de wilsautonomie van de economisch en financieel sterksten noch van de tussenkomst van de individuele rechter te verwachten, zoals het verleden aantoont.

Alleen het democratische gedachtegoed kan het verschil maken: de best mogelijke levensomstandigheden creëren, via democratisch verkozen wetgevers, niet alleen voor een elite, maar voor iedereen voor wie die wetgever verantwoordelijk is.

Voor onze samenleving en haar duurzaamheid is dus te hopen dat de Kamer de voorstellen die de brandende uitdagingen consolideren, herziet en een innovatief verbintenissenrecht eist dat in overeenstemming met het democratisch gedachtegoed op algemene wijze de duurzaamheid van de samenleving kan waarborgen. Actie is vereist, uitstel is geen optie.

Ludo Cornelis, emeritus hoogleraar verbintenissenrecht en advocaat

Régine Feltkamp, docent verbintenissenrecht en financieel & economisch recht (VUB) en advocaat

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud