opinie

Gesubsidieerde tewerkstelling is ei van Columbus

Directeur van HERW!N, collectief van sociale circulaire ondernemers

Economieprofessor Rudy Aernoudt kant zich tegen gesubsidieerde tewerkstelling om de participatiegraad te verhogen. Nochtans leert onze ervaring dat dat het ei van Columbus is als ze selectiever en breder wordt ingezet, zoals in Vlaanderen.

Om een maatregel op zijn merites te beoordelen helpt het die te vergelijken met realistische alternatieven. Volgens Rudy Aernoudt is dat alternatief ‘een goed economisch beleid'. 'Dat zet ondernemers aan aan te werven met een soepele arbeidsreglementering en een niet-verstikkend fiscaal en parafiscaal klimaat.'

Over wat een goed economisch beleid is, kunnen we lang debatteren en van mening verschillen. Alle landen met een sociaal-economisch model zoals het Belgische en met een hogere participatiegraad maken gebruik van gesubsidieerde tewerkstelling. Landen die een hogere participatiegraad halen zonder gesubsidieerde tewerkstelling hebben eerst hun sociale zekerheid zover afgebouwd dat goedkopere jobs mogelijk zijn. Die landen, zoals de Verenigde Staten, durven of willen geen drastische Covid-19-maatregelen te nemen, omdat ze geen sociaal vangnet hebben om de schokken op te vangen. We moeten ze dus niet als voorbeeld nemen.

Om in een min of meer open, mondiale economie de concurrentie met de rest van de wereld aan te gaan en iedereen aan boord te houden heeft België ingezet op een hoogproductieve economie met hoogopgeleide werknemers. De opleidingskosten worden grotendeels door de overheid betaald en de hoge lonen worden relatief hoog belast, om de hoge herverdelingsmechanismen te financieren.

Ongeveer 50.000 mensen werken als doelgroepwerknemer in de sociale economie. Als we iedereen aan boord willen houden, moeten dat er minstens 100.000 worden.

Dat zal na Covid-19 niet anders zijn. Alle relanceplannen zetten in op bijkomende opleiding, innovatie en hogere productiviteit. De keerzijde van de medaille is dubbel: het valt niet mee om onze ecologische voetafdruk te verminderen met ons economisch model en een groeiend deel van de bevolking zal ook morgen geen plaats vinden op de veeleisende arbeidsmarkt.

Als we gesubsidieerde tewerkstelling willen beoordelen op zijn merites, moeten we het vergelijken met het realistische alternatief, met name gesubsidieerde werkloosheid. Bijna alle niet-werkende volwassenen krijgen een toelage: een werkloosheidsvergoeding, een vergoeding voor langdurige ziekte of invaliditeit, of een leefloon. Dat kost geen 12.000 euro per maand, zoals Aernoudt beweert (wellicht bedoelde hij per jaar?). Er een precieze kostprijs op kleven, is niet evident. Die hangt af van het loon, de gezinssituatie en het statuut. Maar we komen in de buurt van 14.000 euro per jaar, zonder de gederfde inkomsten.

Verfijnder

Aernoudt slaat de bal mis als hij beweert dat Vlaanderen het systeem van gesubsidieerde tewerkstelling heeft afgeschaft. Dat heeft het niet gedaan. Wel heeft Vlaanderen het systeem verfijnder gemaakt. In Vlaanderen kennen we collectief maatwerk, een  tewerkstellingsmaatregel die voortbouwt op de vroegere beschutte werkplaatsen en sociale werkplaatsen. In de nabije toekomst wordt dat systeem uitgebreid met individueel maatwerk, waardoor maatwerk-werknemers bij alle werkgevers aan de slag kunnen.

We hebben ook tijdelijke werkervaringstrajecten, de lokale diensteneconomie en de Vlaamse ondersteuningspremie. Dat zijn vormen van gesubsidieerde tewerkstelling die bekend zijn als de sociale economie, met een departement (Werk en Sociale Economie) en een minister (Hilde Crevits).

Het voornaamste probleem is dat de broek waaruit de subsidies komen Vlaams is en het vest waar op toelagen wordt bespaard en waar de bijkomende inkomsten toekomen Belgisch is.

Samen werken ongeveer 50.000 mensen als doelgroepwerknemer in de sociale economie. Als we iedereen aan boord willen houden, moeten dat minstens 100.000 worden. Dat betreft een groep voor wie in de huidige arbeidsmarkt langdurige werkloosheid het enige alternatief is. De kost wordt bepaald door de intensiteit van de subsidies, die afhankelijk is van de afstand tot de arbeidsmarkt en de begeleidingsnood. Een ruwe schatting komt uit op 21.000 euro per jaar. Dat is meer dan de 14.000 euro die de overheid bespaart op gesubsidieerde werkloosheid.

Doelgroepwerknemers betalen inkomstenbelasting, sociale zekerheid en btw op de goederen die ze kunnen aankopen omdat ze een loon hebben dat hoger is dan de toelage die ze kregen. Als we enkel naar de inkomsten en uitgaven van de overheid kijken, is het een vestzak-broekzakoperatie. Met als voornaamste probleem dat de broek waaruit de subsidies komen Vlaams is en het vest waar wordt bespaard op toelagen en waar de bijkomende inkomsten toekomen Belgisch is. Een oproep aan de federale regering: trek dat recht.

Oneerlijke concurrentie

De sociale economie zou de zogenaamde reguliere economie oneerlijke concurrentie aandoen. Dat klopt niet als de intensiteit van de subsidiëring overeenkomt met de onderproductiviteit van de werknemer. Ook op dat vlak is Vlaanderen een pionier. De subsidie-intensiteit wordt op maat gemaakt en geregeld geëvalueerd.

Als het individueel maatwerk wordt uitgerold, hopen we dat de werkgevers massaal op de kar springen.

Om alle kritiek weg te nemen zou het wenselijk zijn dat alle werkgevers kunnen gebruikmaken van het systeem of de systemen. Dat is het geval met de Vlaamse ondersteuningspremie. De ervaring leert echter dat relatief weinig reguliere werkgevers daarvan gebruikmaken als ze ontdekken dat aan de baten van de subsidies de kosten van begeleiding en arbeidsorganisatie vasthangen. Maar het gaat de goede kant uit. En als straks het individueel maatwerk wordt uitgerold, hopen we dat de reguliere werkgevers massaal op de kar springen.      

Als we ervan mogen uitgaan dat iedereen het eens is met het principe ‘iedereen aan boord’, en dat er grenzen zijn aan onze ecologische voetafdruk, hoe doen we dat dan? Laten we de helft van de bevolking thuiszitten met een toelage? Geven we onze sociale zekerheid grotendeels op om ruimte te maken voor goedkopere en flexibelere jobs? Of creëren we zinvolle gesubsidieerde jobs voor een noemenswaardig deel van de inactieve bevolking waarmee we goederen en diensten produceren die het leven van iedereen aangenamer maken zonder de draagkracht van de planeet te overschrijden?

Het antwoord ligt voor de hand.        

Eva Verraes

Directeur van HERW!N, collectief van sociale circulaire ondernemers

Lees verder

Gesponsorde inhoud