opinie

Gezonde arbeidsmarktambitie of loze beloftes?

De Vlaamse en Waalse regering tonen ambitie en mikken op het fors opdrijven van de werkgelegenheid. Dat moet zeker mogelijk zijn, maar zonder verregaande hervormingen blijft het bij loze beloften.

Door Bart Van Craeynest, hoofdeconoom Voka en auteur van 'Terug naar de Feiten'

Uitstekend nieuws deze week: nadat de Vlaamse onderhandelaars al de ambitie hadden uitgesproken de werkzaamheidsgraad op te drijven met 5 procentpunten, gaat ook de nieuwe Waalse regering de komende vijf jaar voor die doelstelling. De redenering is eenvoudig: meer mensen aan het werk betekent meer economische activiteit, meer welvaart, meer inkomsten voor de overheid, minder uitgaven voor uitkeringen en minder armoede.

Fantastische doelstellingen dus, maar makkelijker gezegd dan gedaan. In de periode 2014-2018 steeg de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen met 2,7 procentpunten en in Wallonië met 1,9 procentpunt. Dat gebeurde in een vrij gunstig economisch klimaat. De gemiddelde groei in heel België kwam in die periode uit op 1,6 procent per jaar. Op basis van de jongste vooruitzichten ziet het ernaar uit dat het gemiddelde groeitempo in de komende legislatuur eerder rond 1 procent ligt. Tegen die moeilijker achtergrond wordt de snellere stijging van de werkgelegenheid waar de Vlaamse en Waalse regering op mikken niet evident.

Succes begint met ambitie, maar zonder concrete inspanningen blijft het onvermijdelijk bij loze beloftes. Een fors hogere werkzaamheidsgraad moet zeker kunnen. Vandaag zit Vlaanderen met bijna 75 procent van de 20- tot 64-jarigen aan het werk in de Europese middenmoot, terwijl Wallonië met bijna 64 procent achteraan bengelt.

Puur economisch is het onzinnig dat twee regio’s met een zeer verschillende arbeidsmarktsituatie in eenzelfde loondynamiek gedwongen worden.

Duitsland toonde al wat op dat vlak mogelijk is. Begin jaren 2000 lag de werkzaamheidsgraad er op 68 procent. Met de Hartz-hervormingen, een verregaande hertekening van de arbeidsmarkt, en geholpen door een stevige conjunctuur spurtte die werkzaamheidsgraad tussen 2004 en 2009 dik 6 procentpunten hoger.

Wij moeten de komende jaren niet hopen op zo’n gunstige conjunctuur, maar niets houdt onze beleidsmakers tegen maatregelen om de arbeidsmarkt beter te doen draaien uit te werken. Een stijging van de werkzaamheidsgraad met 5 procentpunten is voor zowel Vlaanderen als Wallonië uitermate ambitieus. Het zit er dik in dat dat in moeilijke economische omstandigheden niet lukt in vijf jaar tijd. Maar zonder ernstige structurele hervormingen zal het met absolute zekerheid niet lukken.

Zowel Vlaanderen als Wallonië kan best zo snel mogelijk werk maken van een beter functionerende arbeidsmarkt. Ze vertrekken daarbij wel van een verschillend startpunt. Problemen op de arbeidsmarkt kunnen vraaggedreven zijn - ‘er zijn te weinig jobs’ - of aanbodgedreven - ‘er zijn te weinig mensen die willen werken’. In Vlaanderen kampen ondernemingen vooral met het probleem dat ze hun vacatures niet ingevuld krijgen. Minder dan 2,5 procent van de Vlaamse 20- tot 64-jarigen is werkzoekend, bij de laagste percentages van Europa. Tegelijk is 23 procent van die 20- tot 64-jarigen niet actief en evenmin op zoek naar werk.

Specifiek beleid

Vlaanderen wordt vooral geconfronteerd met problemen aan de aanbodkant van de arbeidsmarkt. In Wallonië liggen de cijfers voor werkzoekenden en niet-actieven op respectievelijk 6 en 30 procent. Op de Waalse arbeidsmarkt is zowel een aanbod- als een vraagprobleem. Dat verschil impliceert dat voor elke regio een specifieke beleidsaanpak aangewezen is.

Zelfs als alle Vlaamse werkzoekenden aan het werk raken, een onrealistische piste, dan nog zou Vlaanderen maar halverwege zijn ambitie geraken. Het Vlaamse beleid moet zich vooral richten op de aanbodkant om mensen aan te zetten zich aan te bieden op de arbeidsmarkt. Het moet veel meer inzetten op opleiding en levenslang leren, en op allerlei maatregelen om werken interessanter te maken dan niet-werken. Dat laatste kan via een job-stimulans voor de laagste lonen, zodat die netto meer overhouden, het verder inperken van de mogelijkheden van vervroegde uittreding, het rationaliseren van gelijkgestelde periodes waarbij niet-werken evenveel toekomstige rechten oplevert als werken, meer mogelijkheden van kinderopvang voor werkende ouders, flexibeler mogelijkheden om uitkeringen en werken te combineren, en het meer richten van de uitkeringen naar activering. Om dat allemaal in goeie banen te leiden is ook nood aan een centrale regisseur op de arbeidsmarkt die de aanpak voor alle groepen niet-actieven coördineert.

Er is nood aan een centrale regisseur op de arbeidsmarkt die de aanpak voor alle groepen niet-actieven coördineert.

Op de Waalse arbeidsmarkt zijn ook maatregelen aan de vraagkant nodig. Daarbij moet het beleid vooral focussen op de arbeidskosten. Dat kan via lasten-verlaging, hoewel de middelen daarvoor beperkt zijn. Daarom kan beter gemikt worden op een meer gedifferentieerde loonvorming. Puur economisch is het onzinnig dat twee regio’s met een zeer verschillende arbeidsmarktsituatie in eenzelfde loondynamiek gedwongen worden. Meer mogelijkheden om te concurreren op de loonkosten zou de Waalse arbeidsmarkt meer ademruimte geven.

Zowel Vlaanderen als Wallonië laat een enorm economisch potentieel liggen door een slecht werkende arbeidsmarkt. De ambities voor een hogere werkzaamheidsgraad zijn veelbelovend, maar de eerste indicaties van de concrete maatregelen om dat waar te maken zijn dat veel minder. De komende jaren wordt het interessant te zien welke regio echt vooruitgang maakt. Zonder verregaande arbeidsmarkthervormingen komt er sowieso niets van in huis.

Lees verder

Tijd Connect