opinie

Het hart van de Congolese duisternis

In ‘Death in the Congo’ schetsen de Belgische historicus Emmanuel Gerard en zijn Amerikaanse collega Bruce Kuklick de omstandigheden die begin 1961 leidden tot de moord op de eerste Congolese premier Patrice Lumumba.

Larry Devlin, de gewezen CIA-vertegenwoordiger in Congo, getuigde in 1975 voor een onderzoekscommissie van de Amerikaanse Senaat. De CIA had opgevangen dat de Black Panthers en Carlos ‘de Jakhals’ de moordenaar van Patrice Lumumba wilden omleggen. Daarom verscheen de ex-CIA’er, die van het organiseren van de moord werd verdacht, onder een schuilnaam, Victor Hedgeman.

Voor de Curch-commissie, die de praktijken van de Amerikaanse inlichtingendiensten uitploos, zei Devlin dat hij ooit de opdracht kreeg om Lumumba te vermoorden. Hij vertelde het verhaal van de giftige tandpasta die hij in Lumumba’s badkamer moest zien te krijgen. Maar dat wilde plan werd nooit uitgevoerd. Toch werd Devlins bewering dat de CIA uiteindelijk geen schuld trof aan de moord op Lumumba in de media weggehoond. Want Lumumba was vermoord. Als Devlin en de CIA het niet hadden gedaan, wie dan wel?

Devlin zei opgelucht te zijn na de publicatie van ‘De moord op Lumumba’, waarin auteur Ludo De Witte de verantwoordelijkheid op het conto van de toenmalige Belgische regering van premier Gaston Eyskens schoof.

‘Dat Lumumba zou worden vermoord, stond vast. Alleen wisten we niet wanneer en door wie’, aldus Devlin. Het ontbrak niet aan kandidaten om de eerste premier van het onafhankelijke Congo uit de weg te ruimen. Dat blijkt ook uit het jongste boek over de affaire, ‘Death in the Congo’, van historicus Emmanuel Gerard (KU Leuven) en zijn Amerikaanse collega Bruce Kuklick (University of Pennsylvania). In hun epiloog vergelijken ze de moord op Lumumba met die in Agatha Christies ‘Moord in de Oriënt Expres’, waar Hercule Poirot ontdekt dat de doorslechte Ratchett niet door één maar door een dozijn moordenaars werd omgebracht.

Patrice Lumumba wordt gevangen genomen door troepen van kolonel Mobutu. ©©TopFoto

Congo werd op 30 juni 1960 onafhankelijk. Tijdens de plechtigheid bracht eerste minister Patrice Lumumba de wreedheid van het koloniale regime in herinnering, nadat koning Boudewijn de lof had gezongen van zijn illustere voorganger Leopold II, in zijn ogen de weldoener van Congo. Vrijwel meteen na de onafhankelijkheid brak muiterij uit in het Congolese leger, dat grotendeels nog door Belgische officieren werd opgeleid en geleid.

Het regime van president Joseph Kasavubu en premier Lumumba kreeg de toestand niet onder controle. Temeer omdat de politiek onhandige en zeer antiwesterse Lumumba het snel verkorven had bij de Amerikanen en uiteraard bij de Belgen, die troepen naar Congo stuurden om de evacuatie van landgenoten te begeleiden. Nadat de Congolese regering in juli 1960 de diplomatieke betrekkingen met België had verbroken en de hulp van de VN en van de Sovjet-Unie had ingeroepen, was de chaos niet meer te overzien.

Premier Eyskens liet op 18 augustus 1960 aan president Kasavubu weten via diens Belgische adviseur Jef Van Bilsen dat hij als staatshoofd grondwettelijk gemachtigd was om Lumumba weg te sturen. Waarop Kasavubu zijn premier ontsloeg en Lumumba op zijn beurt Kasavubu wilde afzetten. Daarmee bracht Eyskens een ketting van gebeurtenissen op gang, die eindigde met de moord op Lumumba.

De auteurs wijzen niet alleen op de rol van de regering-Eyskens, maar zijn ook scherp voor de dubbelzinnigheid van koning Boudewijn.

Het was in die dagen dat Kasavubu zei: ‘Lumumba is een gewond dier dat zal sterven.’ Wat later stuurde Belgisch minister van Afrikaanse Zaken Harold d’Aspremont Lynden zijn bekende boodschap naar de Mission Technique Belge in het afgescheurde Katanga van Moïse Tshombe: ‘Belangrijkste na te streven doelstelling in het belang van Congo, Katanga en België is natuurlijk de definitieve uitschakeling van Lumumba’. Dat telegram kreeg na de moord plots een letterlijke betekenis.

Emmanuel Gerard en Bruce Kuklick borstelen in hun boek een breder, internationaal beeld, met op de achtergrond de Koude Oorlog, de spanningen tussen België en de Verenigde Staten, de internationale protesten en de aantijgingen tegen België in de Verenigde Naties. Zij wijzen niet alleen op de rol van de regering van Eyskens, maar zijn ook scherp voor de dubbelzinnigheid van koning Boudewijn, die tot ergernis van de regering de zaak via eigen kanalen volgde en aanstuurde.

Tegelijk tekenen de auteurs het Amerikaanse optreden onder president Dwight Eisenhower. Het was CIA-vertegenwoordiger Larry Devlin die kolonel Mobutu een vrijgeleide gaf voor zijn staatsgreep van 14 september 1960. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Zweed Dag Hammarskjöld, die als een schoolfrik optrad, beschouwde Lumumba als een Sovjet-pion. Hij vreesde ook dat Congo in een nieuw Korea zou ontaarden. Hammarskjöld zou later in nog onopgehelderde omstandigheden omkomen in een vliegtuigcrash.

En dan waren er de Congolezen zelf. Kasavubu verroerde geen vin na de staatsgreep van Mobutu, die Lumumba onder huisarrest plaatste. De Katangese leider Tshombe, aangestuurd door zijn Belgische adviseurs en zijn sponsors van de Union Minière, wilde niets liever dan Lumumba uitschakelen. Net als de leider van het eveneens afgescheurde Zuid-Kasaï, Albert Kalonji, die Lumumba haatte en hem van genocide beschuldigde vanwege een slachtpartij onder de Balubabevolking door het Congolese leger. Ook Hammarskjöld nam pratend over Lumumba al eens het woord ‘genocidair’ in de mond.

Huisarrest

Nadat Lumumba zijn huisarrest had verbroken, werd hij gevangengenomen. Samen met Maurice Mpolo en Joseph Okito, twee kopstukken van het Mouvement National Congolais, werd hij van het ene militaire kamp naar het andere gezeuld. Niemand - noch de Belgen, noch de Amerikanen, noch de VN - probeerde hem vrij te krijgen. Toch besefte iedereen wat er wachtte toen Lumumba naar Elisabethstad in Katanga werd overgebracht.

De drie gevangenen werden door Belgen voor een vuurpeloton gezet. De aanwezige politie-inspecteur Frans Verscheure noteerde op 17 januari 1971 in zijn dagboek: ‘9.43 L. dood’. De lijken van Lumumba, Mpolo en Okito werden nadien door een andere Belg Gerard Soete in stukken gezaagd en in batterijzuur opgelost. Die deed dat op bevel van Godfroid Munongo, Katangees minister van Binnenlandse Zaken en volgens sommigen de echte sterke man van de afgescheurde provincie.

©rv

Emmanuel Gerard trad op als expert van de parlementaire commissie die in 2000 de moord op Lumumba en de betrokkenheid van de Belgen onderzocht. Met zijn collega Luc De Vos ging hij in die dagen Frans Verscheure thuis ondervragen. Verscheure, toen al 75 en half blind, haalde zijn dagboek boven. Daarin was te zien dat hij wat onhandig zijn originele aantekening ‘9.43 L. dood’ had gewijzigd in ‘9.43, L. doorgevoerd’. Dat moest geloofwaardigheid verlenen aan het verzinsel dat Lumumba was weggevoerd, tijdens het transport ontsnapt en door de lokale bevolking vermoord.

Verscheure ontkende de aantekening te hebben gewijzigd, wond zich op, scheurde zijn hemd open en begon in een Afrikaanse taal tegen zijn bezoekers te tieren. Een dag later meldde zijn familie dat de Congoveteraan was ingestort en dat een volgend gesprek onmogelijk was. Het is het pakkende slot van dit uitzonderlijke boek.

Pratend over zijn optreden in Congo zei Larry Devlin ooit: ‘Een Koude Oorlog is ook een oorlog, maar met andere middelen.’ De moord op Lumumba was daar een voorbeeld van.

Emmanuel Gerard & Bruce Kuklick - Death in Congo. Murdering Patrice Lumumba - 2015, Harvard University Press, 296 blz., 25 euro.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud