opinie

Het onderwijs hervormen begint buiten het onderwijs

Tegelijk streven naar excellentie en naar gelijke kansen op school leidt tot botsingen. De overheid en het onderwijs moeten een redelijk compromis sluiten om beide aandacht te geven. De ongelijkheid in de samenleving verminderen kan die opdracht al veel eenvoudiger maken.

Door Mark Elchardus, emeritus hoogleraar sociologie Vrije Universiteit Brussel

Terwijl de Vlaamse kinderen en jongeren weer naar school gaan, beginnen de kranten, de experts en de politici een polemiek over het onderwijs. Hun zorg? De achteruitgang van onze leerlingen in internationale vergelijkingen. We verliezen terrein, zonder dat de ongelijkheid tussen de beste en de slechtste leerlingen afneemt. Volgens sommigen gebeurt dat omdat het inmiddels taboe is te spreken over ‘goede’ en ‘slechte’ leerlingen. Onder de oppervlakte van de internationale indicatoren smeult inderdaad de spanning tussen het uitdagen en laten excelleren van de talentrijkste jongeren en het geven van volwaardige kansen aan alle jongeren. Beide zijn opdrachten van het onderwijs, maar botsen.

©Photo News

Conflictschuw als we zijn, lopen we graag met een grote boog om die vaststelling heen. Op 3 september kopte De Standaard ‘Hoog onderwijsniveau botst niet met gelijke kansen’. De krant beroept zich op het onderzoek van Kristof De Witte en Jean Hendriks, maar dat wettigt zo’n conclusie niet. Die onderzoekers kijken naar de samenhang tussen excelleren en de kloof van het niveau op scholen, maar ze melden dat ze niet kunnen uitmaken welke rol de onderwijsaanpak van een school of de selectiepolitiek speelt. Het staat een individuele school vrij kansrijke kinderen aan te trekken en kansarme te weren. In zo’n scenario is het niet ondenkbaar dat excelleren hand in hand kan gaan met een kleine niveaukloof. Van die nuance geen spoor in de kop van De Standaard.

Politiek conflict

Het lijkt me voorlopig veiliger te stellen dat tegelijk streven naar uitmuntendheid en gelijke kansen wel botst en dat die spanning zal uitgroeien tot een politiek conflict. Van bij het ontstaan kampt het massaonderwijs met het vervelende gegeven dat deugden en talenten, en de familiale omstandigheden waarin ze zich ontwikkelen, heel ongelijk verdeeld zijn. Bijna alle westerse onderwijssystemen zijn voldoende open waardoor er altijd meisjes en jongens zijn, die ongeacht een kansloos geachte startpositie, als eerste de top bereiken. Maar het onderwijs is, sociaal gezien, overwegend reproducerend. Het levert kopietjes af. Kinderen van goedverdienende hoogopgeleiden worden overwegend goedverdienende hoogopgeleiden, kinderen van laaggeschoolden met bescheiden inkomens, treden in de voetsporen van hun ouders.

De vraag die we ons bij het begin van elk schooljaar moeten stellen, is of we ongelijkheid in de samenleving en de onontkoombare spanningen die daardoor ontstaan, kunnen blijven doorschuiven naar de scholen

In heel veel landen is de overheid zich daarvan bewust en wil ze daar iets aan doen. Soms op een nefaste manier, door het probleem te ontkennen, door de normen en eisen te verlagen, door geen punten meer te geven, of door geen rangschikkingen meer te maken. Maar niet zelden nemen beleidsmakers maatregelen die de gelijkheid effectief kunnen bevorderen, zoals kansrijke en kansarme kinderen samenbrengen in dezelfde scholen, die kinderen zolang mogelijk samenhouden in dezelfde klassen of meer middelen geven aan de scholen die veel kansarme kinderen tellen.

Dat stuit niet zelden op het verzet van de kansrijke ouders. Zij willen absoluut vermijden dat hun kinderen sociaal afglijden. Daarom hebben ze graag scholen, onderwijsvormen en klassen waar kansrijke kinderen samenzitten en maximaal worden uitgedaagd, zonder de ballast van kinderen die trager vorderen. Hun verzet werd de jongste decennia in verschillende landen gepolitiseerd. Iets waarop de N-VA bij ons rekent.

Onderwijskansen

Het verzet is doeltreffend omdat vele van die goed opgeleide, goed geïnformeerde en niet onbemiddelde ouders alles doen om hun kinderen maximale onderwijskansen te geven, zoals via een overwogen schoolkeuze, bijles, therapie bij problemen, contact met de school, aandacht voor huiswerk, educatieve vakanties en een kwalitatieve vrijetijdsbesteding.

De kans dat scholen voor kansarme kinderen kunnen doen wat bemiddelde, goed geïnformeerde ouders voor hun kroost doen, is nagenoeg nihil.

Maar de kans dat scholen voor kansarme kinderen kunnen doen wat die ouders voor hun kroost doen, is nagenoeg nihil. Volgens gezaghebbende schattingen hebben scholen vat op ongeveer 20 à 30 procent van de onderwijskansen van kinderen. 70 à 80 procent wordt bepaald door andere factoren, waarbij het gezin een doorslaggevende rol speelt.

Het discours van gelijke kansen veronderstelt dat scholen de ongelijkheid van de samenleving kunnen compenseren. Nee dus. Veel kansarme leerlingen worden gedurende een groot deel van hun schoolloopbaan behandeld alsof zij allemaal het ideaal van uitmuntendheid kunnen bereiken, maar daarin mislukken. Pijnlijk, maar in grote mate onvermijdelijk. Dat niet doen zou betekenen dat het onderwijs kinderen al heel vroeg, in elk geval lang voor het onontkoombaar lijkt, veroordeelt tot minder dan hun mogelijkheden.

Prijskaartje

Sommige tegenstellingen kunnen niet worden opgelost. Er zijn wel maatregelen die tot minder scherpe conflicten kunnen leiden, maar die hebben vaak een zwaar prijskaartje, zoals kleinere klassen en meer leerkrachten zodat maatwerk in de klas mogelijk wordt. De overheid kan veel vroeger, van in het kleuteronderwijs, een sterke nadruk leggen op cognitieve ontwikkeling en taal. Dat zou een zegen zijn voor kansarme kinderen. Ook een grote gerichtheid op de arbeidsmarktkansen van iedereen, ten koste van de aandacht voor de niet-economische aspecten van de opvoeding, zou de kansarmen helpen, maar snel veel weerstand opwekken van de progressieve middenklasseouders.

We moeten niet-noodzakelijke diplomavereisten schrappen en competenties beter meten, los van diploma’s.

De vraag die we ons bij het begin van elk schooljaar moeten stellen, is of we ongelijkheid in de samenleving en de onontkoombare spanningen die daardoor ontstaan, kunnen blijven doorschuiven naar de scholen. De financiële beloning voor een diploma is vandaag bijzonder groot. De straf voor velen die er geen hebben bijzonder zwaar. Kunnen scholen hun taak - uitmuntendheid bevorderen én iedereen de kans geven op een volwaardige deelname aan de samenleving - onder die omstandigheden waarmaken?

Een hervorming van het onderwijs begint buiten het onderwijs, met het verbeteren van de situatie van laaggeschoolden, het schrappen van niet-noodzakelijke diplomavereisten, het beter meten en belonen van competenties en prestaties los van diploma’s. Meer gelijkheid van kansen in het onderwijs veronderstelt meer gelijkheid in de samenleving. Uitmuntendheid impliceert hogere eisen. Zolang de startpositie van alle leerlingen niet gelijk is - en dat zal ze nooit zijn - zullen het streven naar gelijke kansen en dat naar uitmuntendheid botsen. Hopelijk worden niet alleen die twee conflicterende doelen gepolitiseerd, maar ook het streven naar een redelijk compromis. Alleen een compromisoplossing kan werken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content