opinie

Kakofonie doelstellingen werkzaamheid schreeuwt om debat

arbeidsmarktdeskundige Randstad

De federale doelstelling voor de werkzaamheidsgraad botst met die van Vlaanderen en Wallonië. Het blijft merkwaardig dat daarover geen debat losbarst.

Een voldoende hoge werkzaamheidsgraad is sinds 2000 stelselmatig belangrijker geworden in het arbeidsmarktbeleid. Alleen met een fors hogere werkzaamheidsgraad is de sociale zekerheid bestand tegen de grote uitdagingen (waaronder de vergrijzing) van de arbeidsmarkt van de toekomst.

De Europese Unie gaf de aanzet in maart 2000. Tegen 2010 zou de EU moeten zijn veranderd in de meest concurrentiële en dynamische kenniseconomie van de wereld. Als een van de kernindicatoren werd een werkzaamheidsgraad (15-65 jaar) van 70 procent vooropgesteld. Die doelstelling werd niet gehaald. In 2010 kwam de EU niet verder dan 63,3 procent.  Een verrassing was dat niet. Bijna meteen na de aankondiging van de Lissabondoelstellingen verzeilde de Europese economie in een recessie, die de werkzaamheidsgraad deed dalen. Pas in 2003 kwam de kentering, maar die duurde slechts tot 2008 toen de financiële crisis definitief een kruis door Lissabon haalde. Slechts vijf landen - Duitsland, Nederland, Oostenrijk, Zweden en Denemarken - haalden uiteindelijk de 70 procent.

  • De auteur
    Jan Denys is arbeidsmarktdeskundige bij Randstad Group.
  • De kwestie
    De federale doelstelling voor de werkzaamheidsgraad botst met die van Vlaanderen en Wallonië.
  • De bedenking
    Je kan je afvragen of het instellen van een zeer hoge Belgische doelstelling niet eerder contraproductief is.

Dat weerhield de Europese Commissie er niet van voor 2020 nieuwe doelstellingen te bepalen. Dit keer werd 75 procent vooropgesteld, zij het beperkt tot de doelgroep van 20 tot 64 jaar. De grootste innovatie was echter dat de EU-doelstelling werd vertaald naar nationale doelstellingen. België stelde zelf aanvankelijk een lager streefcijfer voor, maar klokte uiteindelijk af op 73,2 procent. Dat was ambitieus, want de werkzaamheidsgraad bedroeg in 2010 slechts 67,6 procent. Over het hele eerste decennium bedroeg de stijging iets meer dan 2 procentpunten. Vlaanderen kwam met een eigen doelstelling van 76 procent.

Corona

De doelstellingen werden echter opnieuw niet gehaald. De EU kwam uit op 72,3%, België op 70% en Vlaanderen op 74,5%. Zonder corona zou Vlaanderen in het opzet zijn gelukt. In 2019 scheelde het nog nauwelijks een half procentpunt.

Intussen is een nieuw Europees programma ingezet. De doelstelling voor Europa is nu 78 procent, tegen 2030. Interessant is dat de Commissie nu zelf een simulatie heeft uitgevoerd om de nationale bijdragen te berekenen die nodig zijn om de EU doelstelling van 78 procent te bereiken. Voor België komt de EU uit op een werkzaamheidsgraad van 76,5 procent. Dat is fors hoger (6,5 procentpunten) dan de werkzaamheidsgraad in 2020, maar duidelijk onder de eigen doelstelling van 80 procent van de huidige Belgische regering. Het blijft verrassend dat een land dat in het verleden twee keer de eigen doelstellingen niet haalde nu zelf met een hoger cijfer komt. Tenzij het om een uiting van grote ambitie zou gaan.

Een federaal cijfer van 80 procent veronderstelt een hoger cijfer voor Vlaanderen.

Interessant is dat ook Vlaanderen met het aantreden van de regering-Jambon een eigen doelstelling heeft, eveneens 80 procent. Voor het eerst sprak Vlaanderen duidelijk de ambitie uit om voor werkzaamheid tot de Europese top te behoren. Een duidelijk politiek signaal. De vorige Vlaamse regering was nog tevreden met een plaats net boven de middenmoot.

Het federale regeerakkoord zette dat nieuwe cijfer, en dus ook die ambitie, in de schaduw. Daar waar Vlaanderen in het vorige programma nog duidelijk hoger scoorde dan België qua doelstelling, zit het nu plots exact op hetzelfde niveau. Dat is natuurlijk niet heel realistisch. Een federaal cijfer van 80 procent veronderstelt een hoger cijfer voor Vlaanderen. De Hoge Raad voor Werk becijferde een scenario waarbij Vlaanderen uitkomt op 83,4 procent, Brussel op 73,4 procent en Wallonië op 76,1 procent.

Voor de drie gewesten is dat een weinig realistisch scenario. Ook het Waals Gewest heeft sinds kort een eigen politieke doelstelling: een verhoging van de werkzaamheid met 5 procent. Dat komt neer op 70 procent, fors (6,1 procentpunten) onder het cijfer dat nodig is voor de Belgische doelstelling en bijna het dubbele van het verschil voor Vlaanderen (3,4 procentpunten). En Brussel? Dat gewest houdt zich ver van eigen doelstellingen.

Botsing

Het is vreemd dat die botsing van doelstellingen nog geen voorwerp is geweest van enig politiek debat. Vlaanderen heeft het in zijn arbeidsmarktcommunicatie louter en alleen over de eigen doelstelling van 80 procent. Op geen enkel moment komt de federale doelstelling ter sprake. Nochtans zitten twee Vlaamse partijen - CD&V en Open VLD - zowel in de federale als in de Vlaamse regering. Aan Franstalige kant maken zelfs dezelfde partijen deel uit van de federale en de Waalse gewestregering.

Het lijkt een extra bewijs dat de federale doelstelling van 80 procent geen echte politieke doelstelling is. En het is zeker geen uiting van een grote ambitie. Niemand lijkt er rekening mee te houden. Niemand is tegen een verhoging van de werkzaamheidsgraad, maar je moet geen arbeidsmarktexpert zijn om vast te stellen dat Vivaldi in deze nog niet veel heeft klaargemaakt.

Je kan je zelfs afvragen of het instellen van een zeer hoge Belgische doelstelling niet eerder contraproductief is. Zelfs voor Europa mag het best wat minder zijn. Hoewel, het Europese cijfer van 76,5 procent betekent nog altijd een stijging met 405.000 werkenden tegen 2030. Een streefcijfer van 80 procent betekent 636.000 extra werkenden. Het voordeel van een Belgische streefcijfer van 76,5 procent tegen 2030 is in elk geval dat dit wel perfect spoort met de Vlaamse doelstelling van 80 procent.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud