opinie

Laat het privacydebat maar flink oplaaien

Curator van het innovatie-evenement Media Fast Forward

We hoeven digitale media niet af te zweren en digitale technologie is niet slecht. Ze zou echter wel wat meer mensgericht mogen zijn. Daarom is het goed dat het privacydebat oplaait.

Door Fredo De Smet, curator van het innovatie-evenement Media Fast Forward, georganiseerd door de VRT. Auteur van ‘Artificial Stupidity: Handleiding voor digitale humanisten’ (2018)

Gesprekken over privacy kan je vergelijken met het weer. Soms krijgen we een golf van nieuws en opiniestukken over ons heen. Daarna gaat de wind weer liggen. De voorbije week was er weer zo’n golf van commotie over ‘onze data en privacy’. Marc Fauconnier, de uitvoerend voorzitter van het reclamebureau FamousGrey, getuigde vorige week in De Tijd dat hij een beetje paranoïde wordt van onfrisse datapraktijken. Het zijn die praktijken die een webshop als Facebook (economisch) succesvol maken.

©doc

Het begrip privacy wordt vooral gebruikt als een grens is overschreden of zich een incident voordoet. De definitie van privacy is dan ook nogal troebel. Op het einde van een debatavond in Gent over privacy vroeg een experte: ‘Maar wat met de hacker die door de camera van je computer naar jouw kinderen kijkt, dat is toch een inbreuk op je privacy?’

De dame werd weggewuifd door het publiek. ‘Die man is een inbreker, dat heeft niets met privacy te maken’, klonk het uit de zaal. Daarna was het debat voorbij, de avond zat erop. We waren lost in translation, en dat was mijn schuld. Als moderator van de avond had ik het begrip beter moeten aflijnen, bedacht ik achteraf. Privacy is een emotionele laatkomer.

Met de groei van het internet, het gebruik van sociale platformen en de miniaturisering van technologie tot smartphones, -watches en andere gadgets is onze private ruimte virtueel publiek geworden.

Een vereenvoudigde interpretatie van privacy maakt een onderscheid tussen de publieke en de private ruimte. Privacy mag dan een basisrecht zijn, het speelt zich af tussen de muren van je eigen huis. Volstaat die private interpretatie nog om privacy te definiëren? Is het onderscheid tussen die interpretaties überhaupt houdbaar? Met de groei van het internet, het gebruik van sociale platformen en de miniaturisering van technologie tot smartphones, -watches en andere gadgets is onze private ruimte virtueel publiek geworden.

Onder invloed van technologie is het begrip privacy aan het verschuiven. ‘Mijn privacy’, de wens voor anonimiteit, evolueert naar ‘onze privacy’, de mogelijkheid tot autonomie. Er is dus een shift van secrecy naar agency. Ik gebruik de Engelse termen, want er bestaat geen Nederlands woord voor agency. Het is een begrip dat zowel in de sociologie, in de softwareontwikkeling als in de speltheorie gebruikt wordt. Je zou het kunnen vertalen als het vermogen om je eigen handelen te bepalen. Zelfbeschikking. Maar ook dat dekt de lading niet volledig.

Vloeibaar

Zoals vaak bij vloeibare begrippen worden betekenissen door elkaar gebruikt. Het privacydebat wordt daardoor vaak op een heel emotionele of principiële manier gevoerd. Daarbij worden de verschillende betekenissen - secrecy versus agency - verwisseld. Zo lijken gesprekspartners soms diametraal tegenover elkaar te staan. Van ‘ik heb niks te verbergen’ tot ‘ze nemen onze vrijheid af’.

Wat ik heel boeiend vind, zijn de ‘ze’ en de ‘onze’ in die laatste zin. ‘Onze’ privacy verwijst naar menselijke waardigheid en identiteit. ‘Ze’ doet vermoeden dat er een organisatie is die die wil beknotten. We moeten ons hoeden, zo luidt het dan, voor overheden, hackers of technologiebedrijven zoals Facebook of Google. ‘Ze maken de democratie kapot.’

Die emotionele benadering staat het echte debat in de weg. We moeten daarom een onderscheid maken tussen onduidelijkheid in de betekenis van het woord privacy en tussen de mysterieuze manier waarop de digitale platformen met data omgaan.

Sociale media creëren in de eerste plaats waarde voor de economie, daarna pas voor de mens.

Als privacy niet alleen over anonimiteit maar ook over autonomie (of agency) gaat, dan is het aan de gebruiker of de burger om zelf actie te ondernemen. Om dat mogelijk te maken, mogen we verwachten dat technologiebouwers transparanter worden.

Dat levert een paradoxale situatie op. Want de sociale platformen beloven de autonomie waar we van dromen - je kan zelf een kanaal opstarten - maar handelen tegelijkertijd onethisch door hun privacyvoorwaarden weg te steken in pop-ups die niemand leest.

Het grootste misverstand is dat de drijfveer van de meeste digitale platformen democratisch zou zijn, terwijl ze economisch is. ‘Jij mag hier je stem verheffen, want wij hebben je data nodig.’ Hier leren we dat sociale media in de eerste plaats waarde creëren voor de economie, daarna pas voor de mens. Ik pleit niet om digitale media af te zweren, en evenmin beweer ik dat digitale technologie slecht is. Maar ze zou wel wat meer mensgericht mogen zijn.

Daarom is het goed dat het privacydebat oplaait. ‘C’est chaud’, roepen de jongeren tijdens een klimaatmars. Als we de digitale economie dan toch vergelijken met het weer, dan hoop dat ik dat het niet gaat over een bui of een golf, maar over een seizoenswissel. Het is hoog tijd om te evolueren van een digitaal liberalisme naar een digitaal humanisme.

Lees verder

Gesponsorde inhoud