opinie

Landen moeten af van hun groeiverslaving

Enkele van de zorgwekkendste ontwikkelingen van 2019 hebben nietgenoeg aandacht gekregen. Maargeen nood: volgend jaar zullen de economische terugval in China ende mogelijk scherpe groeidalingin India aandacht genoeg krijgen.

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Aziatische Ontwikkelingsbank en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) hebben hun groeiramingen voor India voor 2019-2020 bijgesteld naar 6 procent, het laagste sinds het begin van dit decennium. Anderen vinden zelfs dat nog te optimistisch en denken dat de groei tot 3,5 procent kan zakken. In China is de groei van het bruto binnenlands product (bbp) gedaald naar 6,6 procent in 2018, en het IMF voorspelt 5,5 procent voor 2024.

De snelle groei in China en India heeft miljoenen uit de armoede verlost, en de groeivertraging zal wellicht verdere verbetering hinderen. Wat moeten China en India dan doen? Of niet doen?

In landen die uit een situatie komen waarin de beschikbare middelen slecht worden gebruikt, zoals in China onder het communisme en in India onder het extreme staatsdirigisme, kunnen de eerste voordelen van hervormingen voortkomen uit het beter aanwenden van de middelen. In het geval van Indiase industriële bedrijven was sprake van een scherpe versnelling van de technologische verbetering op fabrieksniveau en van enige reallocatie naar de beste bedrijven in elke sector na 2002. Dat lijkt geen verband te houden met een wijziging van het economisch beleid en staat beschreven als ‘India’s wonderbaarlijke industriële wonder.’

Een wonder? Nee, slechts een bescheiden verbetering tegenover een nogal beroerd startpunt. Er zijn verschillende mogelijke redenen. Misschien lag het aan een generatiewissel: ouders gaven de controle door aan hun kinderen, en die waren vaak opgeleid in het buitenland, ambitieuzer en beter op de hoogte van de technologie en de wereldmarkten. Of misschien liet de accumulatie van bescheiden winsten uiteindelijk toe de transitie naar grotere en betere fabrieken te bekostigen. Of misschien speelden beide wel een rol.

Sommige landen, zoals China, kunnen wellicht zo lang zo snel groeien omdat ze starten met veel onderbenut talent en onderbenutte middelen, die voor waardevollere activiteiten kunnen worden ingezet. Naarmate de economie haar slechtste fabrieken en bedrijven uitdrijft en de ergste allocatieproblemen oplost, wordt de ruimte voor verdere verbeteringen uiteraard kleiner. De groei in India moest dus wel vertragen, net als die in China.

Nationale trots

Het probleem is dat landen moeilijk van hun groeiverslaving af geraken. Beleidsmakers kunnen enorme fouten maken bij hun streven om weer met groei aan te knopen. Japan kan dienen als waarschuwing.

Mocht de Japanse economie de groei van de periode 1963-1973 hebben aangehouden, dan had het Japanse bbp in 1988 het Amerikaanse ingehaald. Maar er gebeurde iets heel anders. In 1980 stortte de groei in, om nooit helemaal te herstellen. Tussen 1980 en 2018 groeide het bbp een amechtige 0,5 procent per jaar.

Er was één simpel probleem: de lage vruchtbaarheid en de vrijwel onbestaande immigratie deden Japan snel vergrijzen. De beroepsbevolking piekte eind jaren negentig en daalde sindsdien jaarlijks 0,7 procent. Bovendien maakte Japan in de jaren vijftig, zestig en zeventig een inhaalbeweging en zette zijn goed opgeleide bevolking geleidelijk in voor de best mogelijke doeleinden.

Tegen de jaren tachtig was dat voorbij. In de euforie van de jaren zeventig en tachtig dachten velen dat Japan zijn snelle groei niettemin kon volhouden via nieuwe technologieën. Dat verklaart wellicht waarom het investeringscijfer tijdens de jaren tachtig hoog is gebleven (meer dan 30% van het bbp). Er ging toen in de zeepbeleconomie echter te veel geld naar slechte projecten. De banken bleven opgezadeld met slecht renderende leningen en dat leidde tot de grote financiële crisis van de jaren negentig. De groei viel stil.

Beleidsmakers kunnen enorme fouten maken in hun streven om weer met groei aan te knopen. Kijk naar Japan.

De Japanse beleidsmakers hadden aan het einde van dat ‘verloren decennium’ kunnen beseffen wat gaande was en wat ze te verliezen hadden. Want Japan was al betrekkelijk rijk, kende veel minder ongelijkheid dan de meeste westerse landen, en had een sterk onderwijs. Maar het moest ook veel problemen aanpakken, met als belangrijkste hoe de snel vergrijzende bevolking een fatsoenlijke levenskwaliteit kon worden gegarandeerd. De autoriteiten leken niet in staat zich aan te passen: de groei herstellen was een zaak van nationale trots.

En dus strooiden de opeenvolgende regeringen kwistig met stimuleringspakketten. Er werden biljoenen dollars uitgegeven, meestal aan wegen, dammen en bruggen die geen duidelijk doel dienden. Die stimulering heeft zoals bekend niet geholpen om groei aan te jagen, en heeft de staatsschuld doen ontsporen tot 230 procent van het bbp in 2016. Dat is verreweg het hoogste van de G20-landen en een mogelijke voorbode van een enorme schuldencrisis.

Meer dan consumptie

De les voor China en India is duidelijk: zij moeten aanvaarden dat de groei laag blijft. De Chinese leiders beseffen dat en hebben geprobeerd de verwachtingen van de bevolking te managen. In 2014 sprak president Xi Jinping over het ‘nieuwe normaal’ van 7 procent jaarlijkse groei in plaats van 10 procent of meer. Maar of zelfs die verwachting realistisch is?

De sleutel is om niet uit het oog te verliezen dat het bbp geen doel is maar een middel. Een bruikbaar middel, dat wel. Zeker als het banen schept of lonen laat stijgen, of het budget van de overheid opkrikt zodat meer herverdeeld kan worden. Het ultieme doel blijft een hogere levenskwaliteit, met name voor wie het slechtst af is. Dat betekent meer dan louter consumptie. Mensen willen worden gewaardeerd worden, en lijden onder het gevoel tekort te schieten tegenover zichzelf en hun gezin.

Dat brengt ons terug bij de groeivertraging in India en China. Beleidsmakers kunnen daar nog veel doen om het welzijn te verbeteren en ons meteen wat hoop geven voor de toekomst van de planeet. Zich bijziend richten op hogere bbp-groei kan die kans te grabbel gooien.

 

Abhijit Banerjee en Esther Duflo hoogleraar economie en hoogleraar  armoedebestrijding en ontwikkelings economie aan het MIT, en winnaars van de Nobelprijs Economie in 2019, samen met Michael Kremer.

 

© Project Syndicate

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud