opinie

Maak van welvaartsstaat opnieuw vangnet én trampoline

We hebben een generatie politici nodig die de koterijen durft platgooien en een nieuw huis optrekken, vol grandeur. Die kijkt naar de toekomst en weer aanknoopt met onze traditie als pioniersland. Deze eeuw hoeft geen recepten uit de vorige. Hoe kan het anders en beter?

We zijn een land van pioniers. In de 19de eeuw stichtten wij met onze liberale grondwet een van de eerste rechtsstaten. In de 20ste eeuw liepen we voorop met onze welvaartsstaat. Burgers beloofden zorg te dragen voor elkaar bij tegenslag en iedereen kreeg de kans vooruit te raken in het leven. We bouwden een kansenmachine van sociale mobiliteit en economische groei. Dankzij generaties van politici met 'bold ideas' voor een betere toekomst.

©Wouter Van Vooren

In deze 21ste eeuw ziet het er steeds meer naar uit dat dat model voorbij zijn houdbaarheidsdatum is. Onze samenleving is radicaal veranderd: gezinnen zijn anders samengesteld, vrouwen eisten hun plaats op, migratie is een realiteit, de vaste baan bij één werkgever is een loopbaan geworden. Maar ook zijn politici ergens onderweg hun lef kwijtgespeeld. Bold ideas ruimden plaats voor taboes en oplapwerk.

Ze hebben het huis dat de welvaartsstaat is keer op keer vertimmerd om het aan te passen aan nieuwe evoluties. Je kan een huis echter niet eindeloos verbouwen zonder dat het zijn grandeur verliest. Het resultaat is dat onze welvaartsstaat zijn dubbele belofte niet langer waarmaakt. Geen vangnet: 16,4 procent van de Belgen leeft onder de armoedegrens. Geen springplank: het duurt 120 jaar om van het onderste inkomensdeciel op te klimmen naar een mediaaninkomen.

Binaire arbeidsmarkt

Die bric-à-brac werd heel duidelijk zichtbaar in deze economische storm. Van freelancers over werknemers tot ondernemers en zelfstandigen, al dan niet in bijberoep en al dan niet met een fysieke locatie: er was geen vangnet dat ze automatisch opving. De complexiteit van onze welvaartsstaat bleek efficiënt noch fijnmazig. Een wildgroei aan steunmaatregelen was het gevolg. Nieuwe koterijen om de bestaande aan te vullen.

Nu een kwart miljoen mensen hun job dreigen te verliezen, is het tijd om onze arbeidsmarkt een reboost te geven.

Die complexiteit vullen we aan we met een hoge fiscaliteit. Bijna nergens wordt arbeid - en dan vooral de laagste lonen - zwaarder belast. Het resultaat is een binaire arbeidsmarkt: je bent werkloos of je werkt. In ons land waar de combinatie van werk en uitkering onmogelijk is, is dat een valse keuze. Het betekent deel uitmaken van de working poor die werken voor een overbelast laag loon, of van een groep mensen met een vervangingsuitkering en zonder perspectief. Dan hoeft het niet te verbazen dat vorig jaar in ons land slechts 70 procent van de 20-64-jarigen aan het werk waren. Dat is 10 procent minder dan bij onze noorderburen, waar combinaties van uitkering en loon wel mogelijk zijn.

Nu een kwart miljoen mensen hun job dreigen te verliezen is het tijd om onze arbeidsmarkt een reboot te geven. Niet met meer van hetzelfde. We moeten heilige huisjes durven slopen - zoals een vermogenswinstbelasting of herfederalisering - en opnieuw lef tonen met bold ideas voor een betere toekomst.

Opstaploon

Een van de radicale voorstellen is het universeel basisinkomen (UBI). De analyse onderschrijf ik: de meeste mensen deugen. Onze huidige welvaartsstaat gaat te vaak uit van het principe 'vertrouwen is goed, controle is beter'. Dat voedt bureaucratie, remt sociale mobiliteit af, en leidt er steeds meer toe dat het samenleven stroef loopt. De ene helft kan steeds minder bijdragen, de andere helft wil steeds minder bijdragen. Het UBI schept echter geen sociale mobiliteit. Iedereen krijgt hetzelfde bedrag, waardoor de middelen niet terechtkomen waar ze het meest nodig zijn. Dat maakt het onrechtvaardig en economisch inefficiënt.

Het negatief belastinginkomen geeft met zijn combinatie van loon en uitkering mensen de kans om te klimmen op de sociale ladder.

Het negatief belastinginkomen (NBI) combineert die kenmerken wel. De econoom Milton Friedman populariseerde die weinig wervende term in de jaren 80. Er is absoluut een nieuwe naam nodig - waarom niet 'opstaploon'? - maar het idee erachter is wel enorm wervend wegens zijn eenvoud. Zolang werkende mensen een bepaalde inkomensgrens niet bereiken, krijgen ze boven op hun loon een uitkering. Dat tegen een negatieve belastingvoet op basis van het verschil tussen hun inkomen en die inkomensgrens. Stel dat we een belastingvoet van 50 procent en een inkomensdrempel van 2.000 euro nemen. Ben je werkloos, dan ontvang je 1.000 euro (50% van 2.000). Kan je de maand nadien aan de slag en ontvang je een loon van 1.200 euro, dan krijg je hier boven op 400 euro (50% van 2000-1200) en hou je dus 1.600 euro over.

Dat levert meer efficiëntie en eenvoud op. Door te schrappen in de wildgroei aan statuten en vervangingsinkomens en door te vertrekken van het individu in plaats van het gezin. Vrouwen in kwetsbare posities zullen toegang hebben tot dat opstaploon, wat hun positie versterkt. Voorts maken we komaf met de binaire keuze tussen working poor of werkloosheid.

Het NBI geeft met zijn combinatie van loon en uitkering mensen de kans te klimmen op de sociale ladder. Met elke euro die ze verdienen gaan zij erop vooruit en versterken ze mee de welvaartsstaat. Het leidt er immers toe dat meer schouders minder lasten dragen. Waardoor we de vicieuze cirkel van een zware welvaartsstaat, een grote overheidsschuld en dus een hoge belastingdruk eindelijk kunnen doorbreken.

Lees verder

Gesponsorde inhoud