opinie

Marc Leemans Regering-Michel oogst met loonnormwet sociale clash die ze heeft gezaaid

Marc Leemans

De veel te strenge loonnormwet maakt een evenwichtig loonoverleg onmogelijk. De onderhandelaars hoeven echter niet te wachten op een correctie van de wet om meer marge te creëren. Er zijn twijfels over de rechtsgeldigheid van een norm die steunt op een wet die een fundamenteel verdrag over de vrijheid van collectief onderhandelen schendt.

De loonnormwet van 2017 moest vroeg of laat tot een botsing tussen werkgevers en werknemers leiden. Die van 1996 flirtte al met de grenzen van de overheidsinmenging in de loonvorming. Het loonoverleg is het prerogatief van de sociale partners. Overheden moeten daar in principe afblijven.

Die vrijheid van collectief onderhandelen wordt sinds 1949 beschermd door de IAO-conventie 98, een fundamentele arbeidsnorm met de status van een internationaal mensenrecht. Volgens de rechtspraak van de Internationale Arbeidsorganisatie IAO en de Raad van State kan de overheid enkel in bijzondere omstandigheden ingrijpen in de loonvorming.

©Photo News

Een wet die van overheidswege de marge voor de onderhandelingen vastlegt, is er dus ver over. Zeker als die wet gedicteerd werd door de werkgeversorganisaties en ze het sociaal overleg buitenspel zet.

Het resultaat is een onderhandelingskader dat de werkgevers in een zetel zet plaatst en de vakbonden met een loden bol om de hals aan de onderhandelingen doet beginnen. Dat de regering dat deed in een land met een sterke traditie van sociaal overleg, is een blijvende smet op haar blazoen. De sociale onrust is een oogst die de regering zelf gezaaid heeft.

Iedereen beaamt dat loononderhandelingen moeten inspelen op de economische conjunctuur. De werknemers kunnen ermee leven in barre tijden pas op de plaats te maken, maar ze verwachten wel dat ze bij een goede conjunctuur mee profiteren van de welvaartstoename.

Het huidige kader zet de werkgevers in een zetel en doet de vakbonden met een loden bol om de hals aan de onderhandelingen beginnen.

De nieuwe loonwet zet dat principe van gezond verstand zonder meer in de ijskelder. De maximaal beschikbare marge wordt met één klik bepaald, nadat alle parameters op een rekenblad ingebracht zijn. Eind 2018 bleek dat door statistische correcties de loonhandicap in 2016 1,1 procentpunt hoger was dan toen gedacht: 1,7 procent in plaats van 0,6 procent. Hoewel dat verschil in 2017 en 2018 gedeeltelijk werd weggewerkt, bleef er nog voor 0,9 procent handicap over. De nieuwe loonnormwet eist dat die in deze onderhandelingsronde meteen wordt weggewerkt. Waardoor de maximaal beschikbare marge van aanvankelijk 1,8 procent meer dan halveerde, tot uiteindelijk 0,8 procent.

Met het goedmaken van een achteraf ontdekt competitiviteitsprobleem kunnen we misschien nog leven. Maar niet met een automatisme dat de onderhandelingsmarge volledig tenietdoet.

Zware grendels

De onmiddellijke correctie voor die handicap uit het verleden - ook als die gewoon door statistische correcties ontstond - is maar een van de vier zware grendels.

De wet verbiedt ook rekening te houden met de patronale bijdrageverminderingen uit de taxshift, die de loonkosten met 1,6 procent verlagen. Ook verplicht ze ons om met een veiligheidsmarge van minstens 0,5 procent onder het loonniveau van de buurlanden te blijven. Met onze veel grotere fiscale loonsubsidies - die ons momenteel een loonvoorsprong van 2,5 procent op de buurlanden bezorgen - hield de oorspronkelijke wet van 1996 sowieso al geen rekening.

Ten slotte voorziet de nieuwe loonnormwet nog in een onmogelijke correctie voor de enigmatische ‘historische handicap’, de loonhandicap die volgens de werkgevers al in 1996 bestond. Dat is het monster van Loch Ness van het loonoverleg. Spijtig genoeg is dat monster nog door geen enkele econoom ernstig (waar)genomen.

De werknemers kunnen ermee leven in barre tijden pas op de plaats te maken. Maar ze willen wel mee profiteren van een goede conjunctuur.

De strengere wet wil een antwoord bieden op de ‘ontsporing’ van de loonhandicap in de beginjaren van de financiële crisis. Die ‘zware ontsporing’ van 2 procent (rekening houdend met de loonsubsidies) had alles te maken met de disproportionele loonmatiging in Duitsland, met dalende reële lonen en olympische bedrijfswinsten. Ze werd aangepakt met de door de regering-Di Rupo opgelegde loonmatiging. De indexsprong van de regeringMichel was daarom totaal overbodig.

De loonwet schiet er dus helemaal naast. Ze schept geen verantwoord kader voor evenwichtige loononderhandelingen tussen gelijkwaardige partners. Ze biedt de werkgevers een loonnorm waar die met de vorige wet niet eens van durfden te dromen.

Misschien kan haastig remedieerwerk via een wetswijziging nog een aanvaardbare marge scheppen. Een zekerder weg naar sociale vrede en een redelijke verdeling van de groei in de sectoren komt van eminente juristen als professor socialezekerheidsrecht Willy Van Eeckhoutte op zijn blog over sociaal recht: trek u van de opgelegde loonnorm van 0,8 procent niets aan, want momenteel bestaat die niet. Als de regering in lopende zaken die toch vastlegt, doet ze dat op basis van een wet die in strijd is met een fundamentele norm uit het internationaal arbeidsrecht, en die is ‘geen vodje papier’.

Lees verder

Tijd Connect