opinie

Middenklasse redden is mikken op performante welvaartsstaat

De middenklasse redden vergt vooral een performante welvaartsstaat, en dat betekent niet noodzakelijk meer geven aan de middenklasse. Richt de sociale zekerheid meer op de laagste inkomens, en maak de sociale dienstverlening toegankelijk voor iedereen.

Voor wie is de welvaartsstaat bedoeld? Het traditionele antwoord op die vraag was decennialang ‘voor iedereen’. Want een selectieve welvaartsstaat die gericht is op de armen, wordt vanzelf een arme welvaartsstaat.

Net omdat in universele welvaartsstaten ook de brede middenklasse baat heeft bij de uitgaven voor sociale bescherming is de bereidheid om bij te dragen aan het systeem erg groot. Daardoor is het totale budget om te herverdelen groter, waardoor ook de laagste inkomens een middenklassebestaan kunnen ambiëren. De legitimiteit bij de middenklasse is de smeerolie in het raderwerk van de welvaartsstaat.

©rv

Een recente OESO-studie over de middenklasse in Europese welvaartsstaten laat echter een grimmige realiteit zien. Een deel van de mensen die formeel tot de middenklasse behoren leeft in toenemende mate in onzekerheid; voor hen dreigt een ticketje enkele richting armoede. En dat terwijl het armoederisico in België al hoger is dan in pakweg Nederland of Denemarken. De sociale zekerheid blaast 75 kaarsjes uit, maar het is feest in mineur. Ondanks een groot volume aan sociale uitgaven werkt de Belgische welvaartsstaat niet zo goed voor de laagste inkomensgroepen.

De middenklasse is de electorale visvijver van zowat elke politiek partij van enig belang. Het is dan ook geen wonder dat de reacties op de OESO-studie eensluidend klonken: de middenklasse moet meer krijgen.

Parallel met de toegenomen activeringsdruk geven welvaartsstaten overal in Europa meer uit aan maatregelen om werken mogelijk te maken

Dat is niet de juiste weg. Het lijkt contra-intuïtief, maar meer geven aan de middenklasse zal de middenklasse niet redden. Het zal het probleem van de Belgische welvaartsstaat alleen maar vergroten.

Dat zit zo. Over een periode van dertig jaar zijn de sociale uitgaven in toenemende mate terecht gekomen bij de middenklasse en minder bij de laagste inkomensgroepen. In 1985 vloeide 28% van de sociale uitgaven voor de actieven tussen 18 en 50 jaar naar de 20% laagste marktinkomens (de inkomens uit arbeid en/of kapitaal). Vandaag is dat nog 20%. Dienovereenkomstig ging in 1985 29% van de uitgaven naar de 20% middelste inkomens, vandaag is dat 33%.

In vergelijking met dertig jaar geleden komt vandaag een kleiner deel van een grotere pot aan sociale uitgaven ten goede aan de mensen die geen inkomen uit arbeid verwerven. Dat vertaalt zich rechtstreeks in de armoedecijfers. Tijdens de periode 1985-2016 bleef het armoederisico voor mensen op actieve leeftijd mét een inkomen uit arbeid ongeveer gelijk (van 4% naar 6%), terwijl het armoederisico voor mensen zonder inkomen uit arbeid steeg van 13% naar 36%.

Tweeverdieners

Een verklaring is dat de aard van de sociale uitgaven veranderd is. Parallel met de toegenomen activeringsdruk geven welvaartsstaten overal in Europa meer uit aan maatregelen om werken mogelijk te maken. Verhoudingsgewijs gaan de uitgaven van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) bijvoorbeeld veel meer dan vroeger naar uitgaven voor loopbaanonderbreking, tijdskrediet en thematische verloven. Deze uitgaven komen terecht bij de mensen die werken en voornamelijk de tweeverdienersgezinnen. Terzelfdertijd is er een sterke neerwaartse druk op de generositeit van de werkloosheidsuitkeringen. Dat zijn de uitgaven die rechtstreeks ten goede komen aan de laagste inkomens.

Bovendien is de Belgische welvaartsstaat in toenemende mate georiënteerd op diensten. De uitgaven voor kinderopvang, ouderenzorg, huisvesting en actief arbeidsmarktbeleid zijn met 300% toegenomen. En ook deze uitgaven komen in sterke mate ten goede aan de midden- en hogere inkomensgroepen. Omdat er tekort is aan plaatsen in de kinderopvang, hebben de laagste inkomensgroepen er bijvoorbeeld weinig toegang toe.

Wie de middenklasse wil redden moet vooral mikken op een performante welvaartsstaat. En in België betekent dat: de middelen inzetten daar waar ze het meest effectief zijn.

Verbeter de inkomensbescherming voor de laagste inkomens met instrumenten die zowel werkenden als niet-werkenden ten goede kunnen komen, zoals hogere toeslagen binnen de kinderbijslag of huursubsidies naar Nederlands model

Ten eerste moeten de uitgaven voor geldelijke ondersteuning selectiever worden. Ze moeten (terug) meer ten goede komen aan wie het meer nodig heeft. Evenwel zonder de populaire steun voor de herverdeling te compromitteren. Het verhogen van de uitkeringen tot boven de armoedegrens zou betekenen dat ze boven de minimumlonen komen te liggen. Dat wordt moeilijk aanvaard. Een betere optie is om de inkomensbescherming voor de laagste inkomens te verbeteren met instrumenten die zowel werkenden als niet-werkenden ten goede kunnen komen, zoals hogere toeslagen binnen de kinderbijslag of huursubsidies naar Nederlands model.

Ten tweede moet de sociale dienstverlening die voorzien of gesubsidieerd wordt door de overheid universeler worden. Dat geldt voor de kinderopvang, waar meer plaatsen nodig zijn, maar evenzeer voor sociale huisvesting. Een sociale woning ontlast een gezin van heel wat financiële zorgen omdat het de woonkosten fors doet dalen. De vraag is echter vele malen hoger dan het aanbod. Dat aanbod moet dus groter.

Voor wie is de welvaartsstaat bedoeld? De sociale zekerheid moet meer gericht zijn op de laagste inkomens, en de sociale dienstverlening moet toegankelijk zijn voor iedereen.

De analyses in de tekst staan in het boek ‘Fundamenten. Sociale zekerheid in onzekere tijden’, uitgegeven door de denktank Minerva (2019).

Lees verder

Tijd Connect