opinie

Mogen rechters krom klimaatbeleid rechttrekken?

Dat de Nederlandse Hoge Raad ‘soft law’ over het klimaat via de omweg van de mensenrechten kan omtoveren in ‘hard law’, roept ook vragen op over de commotie rond het Marrakeshpact eind 2018. Had de N-VA het dan toch bij het rechte eind?

Herinnert u zich nog de commotie eind 2018  over het Marrakeshpact? Dat VN-akkoord over migratie is juridisch niet bindend, maar velen - waaronder N-VA - vreesden dat het akkoord door ‘activistische rechters’ toch zou worden afgedwongen. Dat zou dan gebeuren via de omweg van de mensenrechten, die onder andere in het Europees Verdrag van de Rechten van De Mens (EVRM) zijn vastgelegd.

©Blixt

Ik moet toegeven dat ik het hele Marrakeshdebacle overtrokken vond. Het gaat om ‘soft law’: teksten die iets weg hebben van regelgeving, maar die juridisch niet bindend zijn en die dus niet of zeer moeilijk afgedwongen kunnen worden.

Het eindoordeel van de Hoge Raad (het Nederlandse Hof van Cassatie) in de Nederlandse Klimaatzaak, heeft mij daarom verbaasd. Op vraag van de stichting Urgenda hadden de rechtbank van eerste aanleg (in 2015) en het hof van beroep (in 2018) de Nederlandse staat al bevolen maatregelen te nemen om de uitstoot van broeikasgassen tegen eind 2020 met minstens 25 procent te verminderen tegenover 1990. Het verrassende vonnis van de eerste rechter inspireerde landgenoten om in 2015 een Belgische klimaatzaak op te starten.

Had de N-VA dan toch een punt bij haar verzet tegen het Marrakeshpact?

De rechtspraak is opmerkelijk, omdat geen enkele rechtsnorm Nederland verplicht een dergelijke reductie te bereiken. De EU-lidstaten hebben zich slechts verbonden tot een emissiereductie van 20 procent tegen eind 2020, en in VN-verband werden geen bindende reductiedoelstellingen afgesproken tegen eind 2020.

Die 25 procent komt uit het vierde evaluatierapport van het internationaal klimaatpanel (IPCC), waarnaar werd verwezen op meerdere VN-klimaatconferenties. Het vermeldt de 25 tot 40 procent emissiereductie als doel om de klimaatopwarming onder de gevaarlijke drempel van 2°C te houden. Naar die doelstelling werd verwezen op de klimaatconferenties van Bali (2007), Cancún (2010), Durban (2011), Doha (2012), Warschau (2013), Lima (2014) en Parijs (2015).

Zorgplicht

Het hof van beroep leidde uit twee mensenrechtenbepalingen, de artikelen 2 (het recht op leven) en 8 (het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven) van het EVRM, een zorgplicht af van de Nederlandse staat om haar inwoners te beschermen tegen de dreiging van de klimaatopwarming. Op basis van die zorgplicht verplichtte het hof Nederland tegen eind 2020 een emissiereductie van minstens 25 procent te realiseren.

De Nederlandse Hoge Raad, met in het midden voorzitter Kees Streefkerk, voorafgaand aan de uitspraak in de Urgenda-zaak. ©ANP

De staat tekende cassatieberoep aan tegen dat arrest. Een van haar argumenten was dat Nederland juridisch niet gebonden is aan een reductiedoelstelling van 25 procent tegen eind 2020. Het is internationaal en Europees wel gebonden aan een emissiereductie van 20 procent tegen eind 2020. Die 20 procent geldt bovendien voor de Europese Unie in haar geheel.

Als rechters niet-bindende engagementen via de omweg van mensenrechtenverdragen zo strikt kunnen toepassen, vrees ik dat toekomstige klimaatconferenties nog vagere teksten zonder concrete doelstellingen zullen opleveren

De Hoge Raad heeft alle cassatieklachten verworpen. Volgens de Hoge Raad is Nederland verplicht de uitstoot van broeikasgassen met minstens 25 procent te verminderen tegen eind 2020. Het argument van de staat dat Nederland zich tegen eind 2020 slechts heeft verbonden tot een emissiereductie van 20 procent in Europees verband, veegt de Hoge Raad van tafel.

Om tot die conclusie te komen, interpreteert de Hoge Raad, net als het hof van beroep, de EVRM-artikelen 2 en 8 zeer ruim. Uit het vierde evaluatierapport van het IPCC en de bevestiging van de in dit rapport vermelde reductiedoelstellingen op meerdere VN-klimaatconferenties, wordt afgeleid dat er een grote mate van internationale consensus bestaat over de dringende noodzaak van een emissiereductie van 25 tot 40 procent tegen eind 2020. Op basis van die consensus tovert de Hoge Raad die niet-bindende verklaringen om tot een bindende reductiedoelstelling van minstens 25 procent voor Nederland.

Zacht en hard

Die redenering geeft me een ongemakkelijk gevoel. De ‘soft law’ die de klimaatconferenties op basis van een wetenschappelijk rapport hebben opgeleverd, wordt hier wel heel erg ‘hard’ gemaakt. Had de N-VA dan toch een punt bij haar verzet tegen het Marrakeshpact? Bovendien kan men zich de vraag stellen of er wel sprake is van consensus in de verdragsstaten van het EVRM. De EU-lidstaten hebben zich onderling slechts verbonden tot 20 procent emissiereductie tegen eind 2020.

De uitspraak van de Nederlandse Hoge Raad kan ook gevolgen hebben in andere beleidsdomeinen. Staten zullen voorzichtiger zijn om niet-bindende engagementen aan te gaan.

Begrijp me niet verkeerd: ik ben een absolute voorstander van grotere emissiereductiedoelstellingen, maar ik heb mijn twijfels bij de manier. Als rechters niet-bindende engagementen via de omweg van mensenrechtenverdragen zo strikt kunnen toepassen, vrees ik dat toekomstige klimaatconferenties nog vagere teksten zonder concrete doelstellingen zullen opleveren.

Die uitspraak kan ook gevolgen hebben in andere beleidsdomeinen. Staten zullen voorzichtiger zijn om niet-bindende engagementen aan te gaan. Ten slotte kunnen we ons vragen stellen bij de democratische legitimiteit van deze beslissing. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat niet-verkozen rechters het beleid aanvullen waar de politiek tekortschiet bij het voeren van een passend beleid?

Lees verder

Gesponsorde inhoud