opinie

Na het Bpost-debacle: Onderschat de juridische bijwerkingen van een privatisering niet

Professor publiekrecht Universiteit Hasselt en Universiteit Maastricht, en visiting researcher Yale University

Het Bpost-debacle is een uitgelezen kans om een kerntakendebat over de overheidsbedrijven te openen. Maar bij politieke discussies over privatisering is voorzichtigheid geboden, schrijft professor publiekrecht Marie DeCock.

Bpost belandde de afgelopen maanden meer dan eens in stormweer. Mededingingskwesties, kritische audits en zelfs een ingebrekestelling door de federale overheidsdienst Justitie doen stemmen opgaan om het overheidsbedrijf te privatiseren. Nu ziet het ernaar uit dat Bpost ook de distributieopdracht voor kranten en tijdschriften kwijtspeelt, nadat bij een openbare aanbesteding twee concurrerende privéondernemingen goedkoper in zijn gebleken. Dat nieuws roept de vraag op of een overheidsbedrijf überhaupt kranten moet blijven leveren.

  • De auteur
    Marie DeCock is professor publiekrecht aan de Universiteit Hasselt en de Universiteit Maastricht, postdoctoraal onderzoeker bij het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek en visiting researcher aan Yale University.
  • De kwestie
    De perikelen rond het krantencontract roepen de vraag op wat overheidsbedrijven wel en niet moeten doen, en of ze niet beter geprivatiseerd worden.
  • De conclusie
    Een kerntakendebat dringt zich op. Bij eventuele privatiseringen mogen we de juridische gevolgen niet uit het oog verliezen.

Samen met Proximus, de NMBS, Infrabel en Skeyes is Bpost een ‘federaal autonoom overheidsbedrijf’. De wet van 1991 die hun juridische omkadering vastlegt, kwam tot stand in het licht van de realisatie van een Europese interne markt en het bijbehorende klimaat van liberalisering en privatisering. Met het nieuwe type overheidsbedrijf wilde de wetgever privatisering net vermijden en de overheidsbedrijven wapenen voor de Europese eenheidsmarkt en de toenemende concurrentie en nieuwe behoeften.

Overheidsbedrijven zoals Bpost en de NMBS voeren twee soorten taken uit. De eerste zijn de openbaredienstopdrachten die vaak in monopolie worden uitgeoefend, zoals de sociale rol die de postbodes over het hele Belgische grondgebied moeten opnemen. Op dezelfde manier moet de NMBS onder meer instaan voor het binnenlands treinvervoer van reizigers. Infrabel is verplicht de Belgische spoorweginfrastructuur te verwerven en te beheren, en Skeyes dient de veiligheid van het luchtverkeer in het Belgische luchtruim te waarborgen. Die openbare dienstverlening is de bestaansreden van deze autonome overheidsbedrijven en verantwoordt waarom de overheid zich in de economie mengt.

Naast die harde kern van hun activiteit - althans in theorie - richten overheidsbedrijven zich intussen in grote mate op een andere soort taken: zuiver commerciële of ‘vrije activiteiten’, wat niet de oorspronkelijke bedoeling van de wet van 1991 was. De overheidsonderneming Bpost heeft zich ontwikkeld tot een internationale e-commercelogistiekspeler en zet in op de levering van pakjes en financiële dienstverlening. De NMBS doet onder meer aan de ontwikkeling en het beheer van commerciële diensten en winkels in de stations.

Overhellende balans

Dat overheidsbedrijven zich met die almaar sterkere commerciële focus aanpassen aan de veranderde rol van de overheid en de toenemende concurrentie met privébedrijven, ligt voor de hand. Maar dat de balans naar zuiver commerciële activiteiten overhelt, roept vragen op.

Moet de overheid die taken nog wel vervullen als er een volwaardige privémarkt voor bestaat? Een antwoord op die vraag is onvermijdelijk politiek en ideologisch ingegeven. Hoe dan ook vergt het een kerntakendebat. Welke taken zijn zo in het algemeen belang dat ze anno 2023 aan de overheid moeten worden toevertrouwd? Dat debat moeten we op alle bestuursniveaus voeren, dus ook bij overheidsbedrijven op lokaal niveau, zoals intercommunales.

Bij een privatisering kan faillissement kan niet worden uitgesloten, waardoor diensten plots volledig kunnen wegvallen. Ook kan geen wettelijke minimale dienstverlening afgedwongen worden.

Bij een privatisering, als de overheidsdeelname in het kapitaal daalt tot onder 50 procent plus één aandeel, is niet langer sprake van een autonoom overheidsbedrijf, maar vervelt het bedrijf in een naamloze vennootschap van privaatrecht. Los van de politieke wenselijkheid mogen de juridische bijwerkingen daarvan niet worden onderschat.

Bij een privatisering heeft de overheid niet langer de controle, waardoor ook bepaalde waarborgen en beginselen niet langer automatisch van toepassing zijn. Een faillissement kan niet worden uitgesloten, waardoor diensten plots volledig kunnen wegvallen. Ook kan geen wettelijke minimale dienstverlening afgedwongen worden: de garantie dat de pendelaar tijdens een spoorstaking op de bestemming geraakt, is niet langer vanzelfsprekend. Hetzelfde geldt voor de toepassing van de taalwetgeving, de plicht tot motiveren van beslissingen en de openbaarheid van bestuur. Ook de wettelijke verplichting in een ombudsdienst te voorzien valt in principe weg.

Afspraken maken

Terwijl overheidsbedrijven ook minder lucratieve en zelfs barmhartige taken (moeten) uitvoeren, zetten privébedrijven winstmaximalisatie voorop. Dat kan leiden tot het opdoeken van verlieslatende diensten en lacunes in de dienstverlening.

Of dat allemaal wenselijk is, moeten we op zijn minst overwegen. Een en ander kan wettelijk worden voorzien, of met het privébedrijf kunnen afspraken worden gemaakt vergelijkbaar met de huidige beheerscontracten. Maar of dat het ruime pakket aan publiekrechtelijke waarborgen kan evenaren, is maar de vraag.

Bij politieke discussies over privatisering is dus voorzichtigheid geboden. De juridische consequenties mogen we niet uit het oog te verliezen. Alleen zo kunnen we een toekomstige koers uitstippelen die zowel het algemeen belang als de marktdynamiek recht doet.

Gesponsorde inhoud