opinie

Nationale parlementen staan niet buitenspel in Europees beleid

assistent professor EU Law Maastricht University

Het beeld van een Europese Commissie die als doel heeft nationale parlementen zoveel mogelijk buitenspel te zetten is te negatief.

In zijn Paleis der Natie heeft Rik Van Cauwelaert zaterdag in De Tijd stilgestaan bij een aantal belangrijke ontwikkelingen op het niveau van de Europese instellingen. Hij wijst terecht op de plannen voor de uitbreiding van het CO2-emissiehandelssysteem, het handelsakkoord met Mexico en de toepassing van het Stabiliteits- en Groeipact. Dat de lezer daarbij een somber beeld wordt voorgeschoteld, is op zich niet problematisch. De plannen van de Commissie moeten kritisch tegen het licht worden gehouden.

Wel van belang is dat elke kritiek feitelijk gefundeerd moet zijn en de analyse intellectueel eerlijk blijft. In het Vlaamse publieke debat over de EU ontbreekt het vaak aan één van beide, en niet zelden aan alle twee. Beide zijn evenwel noodzakelijk om tot een geïnformeerd begrip van (voorgesteld) EU-beleid te komen en burgers toe te laten een weloverwogen mening te vormen over de snelheid en de richting die de EU uitgaat.

Ook de column gaat nogal kort door de bocht. Laat ons de kritiek op de handelsovereenkomst met Mexico van naderbij bekijken. De Commissie heeft het plan om de overeenkomst op te splitsen, zodat voor het grootste deel ervan de nationale parlementen geen vetorecht zouden hebben. Volgens Van Cauwelaert staat vast dat het om een gemengd internationaal akkoord gaat (waarvoor de instemming van de nationale parlementen vereist is). De Commissie zou met haar ‘manoeuvre’ bijgevolg niet willen dat nationale parlementen geconsulteerd worden.

De essentie

  • De auteur
  • Merijn Chamon is assistant professor of EU Law aan Maastricht University.
  • De kwestie
  • Het klopt niet dat de Europese Commissie een machine is die er louter op gebrand zou zijn nationale parlementen buitenspel te zetten.
  • Het voorstel
  • Het publiek debat zou moeten gaan over de zin en onzin van ‘gemengd’ optreden daar waar zuiver EU optreden mogelijk is: is het ene (met meer parlementaire veto’s) per se democratischer? Is het andere (met groter eenheid van commando) per se effectiever?

Die stellingen nemen echter een loopje met de juridische realiteit. Vooreerst worden nationale parlementen sowieso geconsulteerd bij alle EU-beleid, los van de vraag of het beleid vervat zit in een internationaal akkoord (ongeacht in ‘gemengde’ of ‘zuivere EU’-vorm) of in gewone EU-wetgeving: geen enkele beleidsbeslissing op EU-niveau wordt genomen zonder instemming van de Raad. In de Europese Raad zitten de nationale regeringen die, aangezien elke EU-lidstaat een democratie is, gecontroleerd en aangestuurd worden door hun respectievelijke nationale parlementen. Zelfs als het akkoord met Mexico een zuiver EU-Mexico-akkoord wordt (en dus niet gemengd), blijven nationale parlementen hun zeg hebben, aangezien elk parlement zijn minister in de Raad steminstructies kan geven. Het is dus simpelweg onmogelijk om nationale parlementen niét te consulteren.

Lissabon

Een en ander is ook geheel in lijn met ‘de fraaie voornemens in het Verdrag van Lissabon’, in tegenstelling tot wat Van Cauwelaert suggereert. Dat Verdrag van Lissabon bepaalt duidelijk dat de EU ‘louter’ een internationale organisatie is, en geen staat, en dus allen die bevoegdheden heeft die de lidstaten haar hebben toegekend. Al het overige, zoals de rol die nationale parlementen te spelen hebben, volgt uit die bevoegdheidskwestie: wanneer de EU een bevoegdheid heeft en die uitoefent, spelen de nationale parlementen, conform het Verdrag van Lissabon, een indirecte rol. Als de EU geen bevoegdheid heeft, of die wel heeft maar niet uitoefent en dus de juridische ruimte laat aan de lidstaten, spelen nationale parlementen een directe rol. In sommige gevallen is er dus een keuze: de EU kan een bevoegdheid hebben, maar beslissen die niet (ten volle) uit te oefenen. Dat besluit wordt genomen door de Raad (niet door de Commissie). In dat geval blijven de lidstaten aan zet.

Het publiek debat zou dus moeten gaan over de zin en onzin van ‘gemengd’ optreden daar waar zuiver EU optreden mogelijk is: is het ene (met meer parlementaire veto’s) per se democratischer? Is het andere (met grotere eenheid van commando) per se effectiever? Heeft de keuze voor het ene of het andere überhaupt repercussies voor de inhoud van het EU-beleid? Dat zijn de relevante vragen die zouden moeten spelen in het publieke debat. Burgers kunnen via een gezond publiek debat een consensus bereiken over welke piste gekozen wordt. Wat in elk geval contraproductief is in zo'n ‘kollektive Willensbildung’ is het propageren van een foutief en grauw doembeeld van een Brusselse machine die er louter op gebrand zou zijn nationale parlementen buitenspel te zetten.

Merijn Chamon

Assistant professor of EU Law aan Maastricht University

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud