opinie

Natuurlijk blijft het spaarboekje populair

Karel Lannoo

Dat spaarders hun geld op een spaarboekje houden is evident. Kosten halen het rendement van beleggingsfondsen met bijna een derde naar beneden. En er is amper een Europese markt voor ­beleggingsproducten. Nochtans zijn er mogelijkheden om consumenten betere spaarmogelijkheden te bieden.

De Europese markt voor beleggingsproducten is zeer verscheiden in distributiekanalen, in de voorkeur van consumenten, in regelgeving en in toezicht. Dat resulteert in een grote versnippering en sterk uiteenlopende kosten en rendement. Vergelijkingen tussen landen zijn moeilijk omdat kostelementen niet eenvormig zijn en er geen concurrentie over heel Europa is.

Het gevolg is dat spaarders hun middelen op een spaarboekje houden, in de plaats van die te beleggen in interessantere producten. De Europese Commissie heeft, in tegenstelling tot sommige lidstaten, dat probleem al op meerdere manieren proberen aanpakken, zoals met de MiFID II richtlijn, maar zonder veel effect. We kunnen dus nieuwe beleidsinitiatieven verwachten.

In België verminderen de kosten het rendement van beleggingsfondsen met 31 procent.

Twee recente studies over de kosten en opbrengsten van beleggingsproducten zijn tekenend. In een analyse van september 2017 vond de ESMA, de Europese marktautoriteit, dat over een periode van drie jaar de kosten het rendement van investeringsfondsen met bijna een derde per jaar verminderen. De kosten zijn ook hoger voor kleine investeerders dan voor institutionele beleggers.

Nederland heeft de laagste kosten, gevolgd door Zweden en het VK. Niet toevallig zijn dat landen met een provisieverbod, waardoor een bank zich niet mag laten betalen door een fondsbeheerder om zijn producten te verkopen, of een meer centraal georganiseerd langetermijnsparen. De kosten in Nederland bedragen minder dan een derde van die in België, het duurste land. Hier verminderen de kosten het rendement met 31 procent (voor inflatie).

Een recentere studie voor de Europese Commissie stelt dat zelfs een goed geïnformeerde consument moeilijk de kosten van beleggingsproducten kan interpreteren en vergelijken, en nog minder tussen verschillende landen. Informatie is niet transparant en niet eenvormig. Kosten verschillen sterk naargelang het product en de financiële instelling. De laagste kosten, van ongeveer 1 procent, zijn er voor directe beleggingen in aandelen en obligaties, en beursgenoteerde fondsen, of ETFs.

©Mediafin

Aandelen-, vastgoed- en gemengde fondsen hebben de hoogste kosten. Ze kunnen oplopen tot 8 procent als een investeerder binnen het eerste jaar weer verkoopt (instap-, uitstap- en beheerskosten). De gemiddelde kosten voor tien verschillende beleggingsproducten in de 15 onderzochte landen bedragen 4 procent per jaar (instap en beheer). Geen wonder dat Europese consumenten hun geld op een spaarboekje houden.

Aantrekkelijkheid

Als gevolg van het provisieverbod in de MiFID II-richtlijn die dit jaar van kracht werd, moeten de kosten in de EU dalen, maar mogelijk gebeurt dat ook met de aantrekkelijkheid van die producten. Veel consumenten verkiezen niet meer in beleggingsproducten te beleggen als ze merken dat de financiële instellingen er (te) veel aan verdienen. Digitalisering en robotadvies zullen dat niet noodzakelijk veranderen, omdat ook daar de kosten niet transparant of vergelijkbaar zijn, en de gebruikte algoritmes niet duidelijk.

Wat kan dan gedaan worden om beleggingsproducten aantrekkelijker te maken en consumenten betere spaarmogelijkheden te bieden? Eerst en vooral moet MiFID II consequent toegepast worden. Dat is niet gemakkelijk, gezien de complexiteit van de richtlijn en de beperkte capaciteit bij toezichthouders. De ervaring van Nederland en het VK is bemoedigend, al had het provisieverbod dat in MiFID I van 2007 al van kracht was weinig impact.

Eerst en vooral moet MiFID II consequent toegepast worden.

Ook moet consolidatie in de fondsenmarkt gepromoot worden. De EU heeft gemiddeld drie keer zoveel investeringsfondsen als de VS, met een gemiddelde grootte van een tiende van de VS. Uiteraard leidt dat tot hogere kosten.

De macht van de toezichthouders kan uitgebreid worden om op te treden tegen te dure of ondoorzichtige fondsen. De ESMA of de andere Europese toezichthouders moeten meer mogelijkheden hebben om falende nationale toezichthouders op de vingers te tikken en gevaarlijke producten te verbieden. Dit ligt gevoelig bij de lidstaten: na de bankunie en het bankentoezicht door de Europese Centrale Bank is er niet veel appetijt om weer ‘meer Europa’ te volgen.

Kan de EU optreden tegen te hoge kosten en een maximum instellen, zoals voor grensoverschrijdende betalingen of het gebruik van kredietkaarten? Dat valt te betwijfelen, want de kostengroepen zijn nog niet vergelijkbaar en de impact van de MiFID II-regels om dit op Europees vlak eenduidiger te maken is nog niet duidelijk.

Lees verder

Tijd Connect