opinie

Niemand is gebaat bij een al te positieve bloemlezing van disruptie

Het stof dat de Davos-conferentie deed opwaaien over de impact van automatisering op de werkloosheid is nog niet gaan liggen. In België draagt het Carrefour-debacle bij tot de ongerustheid, nu op sociale media wordt opgeroepen om selfscans te boycotten, zodat jobs van kassiers niet verloren gaan. De discussie is onontkoombaar.

Door Stijn Ronsse, visiting professor economie UGent en senior consultant bij Idea Consult

Verscheidene organisaties maakten dankbaar gebruik van de slipstream van Davos om rapporten te publiceren over de impact van automatisering op jobs. Een eenvoudige zoekopdracht toont dan ook een exponentiële toename sinds eind januari van de kernwoorden ‘automatisatie’ en ‘werkloosheid’. Lang niet alleen economen houden zich bezig met de pertinente vraag: moeten we schrik hebben van de digitale disruptie? Het antwoord is volmondig ja, angst is op zijn plaats. Daar tegenover staan voldoende waarnemers die dit tegenspreken. Ook dat is logisch, want ook zij hebben voor een deel gelijk. Nochtans is de kwestie redelijk eenvoudig: gaat onze job verloren of niet? Je zou er radeloos van worden, onzekerheid is nooit een goede adviseur.

We moeten ons hoeden voor een al te positieve lezing van economische modellen en historische casussen van disruptie en automatisering

Het is dan ook begrijpelijk dat een deel van de bevolking zich niet welwillend opstelt jegens de veranderingen die op ons afkomen. Angst voor vernieuwing is van alle tijden. Zo worden tegenstanders van de digitale vooruitgang vaak bestempeld als moderne Luddieten, een verwijzing naar een groepering die zich in het vroege 19de-eeuwse Engeland verzette tegen industriële en technologische vooruitgang. Ook zij vreesden de teloorgang van hun jobs en zagen een oplossing in de vernieling en sabotage van vroeg-industriële machines.

Hedendaagse waarnemers belichten met veel plezier de naïviteit van die strijd en vinden verzet tegen technologische vooruitgang zinloos. Ik sluit mij aan bij de stelling dat stilstaan gelijkstaat aan achteruit gaan en dat we om competitief te blijven liever vroeg dan laat op de kar moeten springen. Maar we moeten ons ook hoeden voor een al te positieve lezing van economische modellen en historische casussen. 

Waarnemers vergelijken bijvoorbeeld de hedendaagse veranderingen met de overgang van een agrarische naar een industriële maatschappij of met de evolutie van de zogenaamde industrie 2.0 naar industrie 3.0. Er wordt dan geargumenteerd dat het gaat om processen van creatieve destructie en dat de mogelijke werkloosheid gecompenseerd wordt door nieuw geschapen werkgelegenheid. De agrarische bevolking vond bijvoorbeeld zijn weg naar de fabrieken en maakte zo mee mogelijk dat de nieuw ontluikende industrie kon bloeien. De optimistische conclusie is dan ook: als we kijken naar historische voorbeelden komt het wel goed.

Hier en nu

Dat is een terechte analyse van de casussen, maar gaat te kort door de bocht met betrekking tot twee belangrijke nuances. Een eerste is dat er op de korte termijn wel degelijk werkloosheidsgolven waren. Voorbije disruptieve verschuivingen laten inderdaad vermoeden dat op de lange termijn alles goed komt, maar het is vooral het hier en nu dat mensen angst aanjaagt. Bovendien is ‘korte termijn’ een misleidende term, vaak waren deze structurele breuken over verscheidene jaren gespreid. Een tweede nuance is dat het bij de aangehaalde voorbeelden voornamelijk een verschuiving van mankracht betrof, terwijl het bij de hedendaagse veranderingen vooral gaat om het inzetten van nieuwe vaardigheden.

Voorbije disruptieve verschuivingen laten inderdaad vermoeden dat op de lange termijn alles goed komt, maar het is vooral het hier en nu dat mensen angst aanjaagt.

De economische modellen waar veel waarnemers naar verwijzen, verduidelijken dit. Zo wordt vaak verondersteld dat een meer geautomatiseerde productieketen nieuwe jobs zal creëren die de verloren gegane functies in de meer traditionele sectoren zullen opvangen. Cruciaal hierbij is echter dat huidige en toekomstige werknemers zowel voor vaardigheden als voor flexibiliteit opgeleid moeten worden om in deze veeleisende context inzetbaar te zijn.

België heeft op zich een goed innovatiepotentieel en waarnemers zien het als een land met veel mogelijkheden voor technologische vooruitgang, maar de frictiewerkloosheid die reeds in sommige regio’s heerst, is maar een eerste illustratie van de nood aan een bevolking met de nodige vaardigheden. Internationale instellingen zien het opzetten van een opleidingskader dat aan deze vragen beantwoordt dan ook als prioritair.

Technologische vooruitgang is niet tegen te houden en zal naast bedreigingen ook vele kansen creëren. Niemand is echter gebaat bij een al te positieve bloemlezing. Behoedzaamheid voor disruptieve evoluties is op zijn plaats. Vaak gaan deze verschuivingen gepaard met maatschappelijke breuken die een gepaste institutionele omkadering vergen om de gevolgen zowel in ernst als in tijd te beperken. Voorspellen wat op ons af komt is uitermate moeilijk, maar een genuanceerd gebruik van historische casussen, economische modellen en intuïtie moet wel toelaten om in optimale omstandigheden aan de start te verschijnen. Beleidsmakers hebben dan ook meer dan ooit de sleutel in handen om het potentieel van technologische vooruitgang optimaal te benutten en de omstandigheden te creëren zodat brede maatschappelijke lagen de vruchten van een disruptief proces kunnen plukken.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud