Plaats corona-app in verdedigingslinie

©Photo News

Frank Robben, de CEO van het eHealth-platform van de federale overheid, roept op om snel werk te maken van een privacyveilige contactopsporingsapp. De Vlaamse regering mikt op na de zomer. Maar is zo’n app binnenkort lanceren wel de meest zinvolle strategie?

Olivier Degomme (Vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg - UGent), Tom Goffin (Vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg - UGent), Jeroen Hoebeke (IDLab, Vakgroep Informatietechnologie - UGent / IMEC), Jeroen Lemaire (In The Pocket), Nico Van de Weghe (CartoGIS, Vakgroep Geografie - UGent), Sofie Van Hoecke (IDLab, Vakgroep Elektronica en Informatiesystemen - UGent / IMEC), Gert Vermeulen (Vakgroep Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht - UGent), Bruno Volckaert (IDLab, Vakgroep Informatietechnologie - UGent / IMEC)

Voor veel beleidsmakers is de corona-app een luis in de pels geworden. De app ligt gevoelig bij de publieke opinie en de politiek blijft twijfelen over de opportuniteit. Een veilige aanpak is dan om gebruik te maken van wat enkele landen al uitrollen en perfect verantwoordbaar is: de Bluetooth DP-3T-oplossing. Met een beperkte bijkomende investering kan men op enkele weken tijd uitpakken met een Belgische versie binnen een groter Europees kader. Contactopsporing zou meteen veel beter verlopen, klinkt het.

De vraag is echter of dit dan inderdaad een grote impact zal hebben. Laten we er even vanuit gaan dat de gemiddelde Belg de komende weken gemiddeld 30 contacten per week heeft: de 10 toegestane contacten uit de ‘bubbel’ en een bijkomende grove schatting van 20 mensen per week die op ‘minder dan 2 meter afstand’ staan in onder meer de winkel, op het openbaar vervoer, op het werk. Een contactopsporingsapp zou alle contacten van de voorbije twee weken bijhouden, wat neerkomt op 60 contacten. Met ongeveer 100 nieuwe besmettingen per dag op een bevolking van 11 miljoen is de kans dat 1 van die 60 contacten tijdens die 2 weken effectief positief test ongeveer 0,7%. Als de hele bevolking de contactopsporingsapp op een smartphone draaiende zou hebben, is er dus 0,7% kans dat een gebruiker over een periode van 2 weken een berichtje krijgt dat hij mogelijk in contact is geweest met iemand die besmet is.

Een dekking van 100% is echter utopisch: niet iedereen heeft een smartphone en niet iedereen zal de app installeren of zijn smartphone voortdurend bij zich hebben. Maar laten we ervan uitgaan dat de Belgische overheid erin slaagt om de helft van de 8 miljoen Belgische smartphonegebruikers te overtuigen om de app te installeren (nergens waar contactopsporingsapps vrijwillig worden gedownload is men daar trouwens in geslaagd).

De kans op een berichtje via de app daalt dan tot 0,25% per 2 weken (eind april, toen de appdiscussie volop woedde, lag die kans nog 6 maal hoger). Dat komt neer op 1,5% van de gebruikers tussen nu en eind augustus; ongeveer 98,5% van de gebruikers zou tijdens de zomer dus niets ontvangen via de app. Je zou kunnen zeggen dat dit net een goed teken is, en betekent dat de epidemie onder controle is. Maar je kan je net zo goed afvragen in welke mate een gebruiker bereid is een app te behouden waar hij zelf weinig van merkt. Vandaar de vraag of het nu wel het juiste moment is om een app te lanceren, gezien de beperkte directe incentives voor de gebruiker?

Symptomen invoeren

Wat is het alternatief? De rapporten van de GEES die deze week openbaar werden gemaakt, stellen duidelijk dat we nog steeds onvoldoende voorbereid zijn om een tweede coronagolf te voorkomen. Er is naast de huidige eerste verdedigingslinie (testen en contactopsporing) grote nood aan een tweede verdedigingslinie, met een zogenaamd controletorensysteem waarbij de epidemiologische situatie continu wordt gemonitord en waardoor lokale heropflakkeringen snel kunnen worden geïdentificeerd.

Laat dit nu net iets zijn waarvoor een app een grote meerwaarde kan betekenen. Gebruikers zouden op regelmatige basis via een app gegevens kunnen invoeren over symptomen en klachten die gepaard gaan met een corona-besmetting. Deze informatie zou dan op een vrijwillige en privacyveilige manier worden verwerkt, zodat de spreiding van het virus dagelijks wordt gemonitord en lokale heropflakkeringen of risicogroepen worden geïdentificeerd. Deze methode wordt al voor verschillende andere infectieziekten zoals de griep wereldwijd toegepast en staat gekend als ‘participatory disease surveillance’. Hierdoor kunnen beleidsmaatregelen veel doelgerichter worden uitgewerkt en geïmplementeerd.

Als de hoogdringendheid voor een app aanzienlijk kleiner is geworden en de GEES oproept om een monitoringssysteem uit te werken, kan het getreuzel van de voorbije maanden met de corona-app misschien worden omgebogen in een opportuniteit: we kunnen namelijk nog alle kanten uit. In plaats van enkel in te zetten op een Belgische kopie van apps uit andere landen heeft de overheid nu de kans om een multifunctionele app te ontwikkelen die meer biedt dan enkel het registreren van contacten tussen twee gebruikers. Het kan een schakel zijn in een breder en participatief epidemiologisch monitoringssysteem binnen een privacyveilig kader.

Strikte privacy

Veel tijd hebben we niet, want de tweede coronagolf komt mogelijk in het najaar, maar we hoeven niet van nul te beginnen. Verschillende groepen onderzoeken al sinds het begin van de coronacrisis hoe we verschillende op een app gebaseerde mogelijkheden kunnen verzoenen met strikte privacyregels en ethische kaders. De bevindingen van dergelijke onderzoeken in de praktijk brengen kan echter maar indien er voldoende bereidheid is bij de beleidsmakers om out-of-the-box te denken en niet snel iets te lanceren om de luis uit de pels te verwijderen.

De auteurs voeren onderzoek naar het gebruik van apps in de bestrijding van de corona-epidemie. Vorige maand kregen ze voor hun onderzoeksproject financiële steun van het Fonds Wetenschappelijk onderzoek (FWO). Het team maakt verder ook deel uit van het APPIA+ consortium (www.appiaplus.eu).


Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud