opinie

Rijke landen verschillen steeds minder van opkomende markten

Andy Langenkamp

Ook in het Westen stijgen de politieke risico’s. Beleggers moeten rijke landen meer en meer analyseren als opkomende markten.

In het Westen is de onderliggende onvrede groot. Vrijheid en gelijkheid kunnen niet op gelijke voet staan. Vrijheid leidt per definitie tot ongelijkheid. Economisch liberalisme resulteert erin dat de een veel geld heeft en de andere weinig. Daarom hebben westerse staten de scherpe kantjes van het kapitalisme afgeslepen met de verzorgingsstaat. Lange tijd werd de liberale (sociaal-)democratie gezien als eindstaat waarnaar alle systemen bewegen, zoals de politieke econoom Francis Fukuyama stelde in zijn essay ‘Het einde van de geschiedenis?’.

©rv

Een van Fukuyama’s inspirators was Raymond Aron. Al in de jaren 30 hield die Franse socioloog zich bezig met het neoliberalisme, de verzorgingsstaat en de spanningen daartussen. Aron gruwde van het deterministische denken van zowel marxisten als liberalen. Volgens het ene kamp leidt het kapitalisme tot een revolutie van het proletariaat, volgens het andere leidt elke planmatige economie tot onvrijheid.

Aron vond dat de liberale opvattingen van de econoom Friedrich Hayek een ideologie vormden die zichzelf over de politiek drapeerde om de realiteit een specifieke richting in te duwen. Hij zag ook gevaren aan de andere kant: eind jaren 70, begin jaren 80 vond hij de slinger doorslaan naar links en propageerde hij meer marktdenken en ondernemersvrijheid. Door de rijkelijk opgetuigde verzorgingsstaat waren mensen te gezapig en gemakzuchtig geworden. Daarbij benadrukte hij dat niet economie maar politiek de belangrijkste richtinggever van samenlevingen was.

Groei als ultiem doel

Na de val van de Muur koos de politiek voor verdere liberalisering. Liberale instituties, vrijemarktdenken en consumentencultuur vierden hoogtij. Was dit dan toch het ‘einde van de ideologie/geschiedenis’? Nee dus. De liberalisering sloeg door. Winstmaximalisering werd een absolute prioriteit, met de groei van het bruto binnenlands product als heilige maatstaf. Ondertussen lieten verscheidene economieën - met China voorop - zien dat je ook zonder liberale democratie hard kunt groeien en de massa relatief rustig kunt houden.

Westerse en Chinese leiders gaan ervan uit dat economische groei dé manier is om samenlevingen stabiel en tevreden te houden. Groei als ultieme politieke doel en niet langer als middel. Dat blijkt toch niet helemaal te werken.

Liberale democratie en vrijhandel zijn kwetsbaar en het voortbestaan van liberale instellingen wordt bedreigd. Daarbij vervult het menselijk verlangen een spilfunctie. Respect en waardering staan centraal. Identiteitspolitiek ligt daarvan in het verlengde.

Politieke onzekerheid tast het groeipotentieel van geïndustrialiseerde landen aan. Marktparticipanten zijn er allergisch voor en worden terughoudender met investeringen.

Het doorgeslagen (neo)liberalisme en het primaat van de markten over de politiek baanden de weg daarvoor. Autoritaire voorbeelden laten zien dat je snel efficiënt en effectief kunt groeien zonder democratische basis, waardoor ze aanlokkelijker worden voor groepen die zich achtergesteld en ondergewaardeerd voelen.

Met groei als topprioriteit worden politici kwetsbaar als de groei tegenvalt en/of oneerlijk en onevenredig verdeeld wordt, en als de aandacht voor waardering en erkenning ondergesneeuwd raakt. De negatieve gevolgen zijn duidelijk zichtbaar sinds de financiële crisis. Het wantrouwen tegenover politici en instituties is enorm.

Daardoor moeten politieke risico’s voor geïndustrialiseerde landen anders worden ingeschat. Voorheen was er een duidelijk onderscheid in hoe gekeken werd naar de opkomende en de rijke landen. Belangrijk daarbij waren vooral het functioneren, de bestendigheid en de betrouwbaarheid van en het vertrouwen in instellingen (zoals parlement, rechtbanken, politie).

In de rijke landen moesten beleggers politieke risico’s meewegen, maar die bewogen zich binnen een nauwe bandbreedte: wat meer belastingverlaging hier, wat hogere tekorten daar, iets meer steun voor vrijhandel. In opkomende landen was de bandbreedte veel groter, met nationaliseringen, onteigeningen, plotse veranderingen in wisselkoersen, revoluties en (burger)oorlogen.

Onzekerheid

Tot niet zo lang geleden was de uitslag van de politieke slinger in rijke landen relatief beperkt. Rond de politiek was een institutioneel raamwerk, dat grote, wilde uitslagen voorkwam en het mogelijk maakte beleidsuitkomsten redelijk te voorspellen. Dat is nu veel minder het geval. Die onzekerheid tast het groeipotentieel van geïndustrialiseerde landen aan. Marktparticipanten zijn er allergisch voor en worden terughoudender met investeringen.

We hebben Trump nog niet in actie gezien bij een economische crisis. Mochten de VS in een recessie belanden, dan kan de kat in het nauw rare sprongen maken

Voor welke economie speelt dat nu een sterkere rol: de VS of Europa? Over de Amerikaanse president Donald Trump werd aanvankelijk gezegd dat hij bombastisch, lomp en theatraal was, maar dat het systeem werkte. De president wordt aan banden gelegd door het Congres, de rechtbanken en de publieke opinie. Trumps instincten en acties hadden veel ingrijpender gevolgen kunnen hebben als hij niet af en toe was teruggefloten. Maar tegelijk verschuift hij de maatstaven voor wat normaal is, breekt hij departementen van binnenuit af en maakt hij van de Amerikaanse centrale bank een politieke speelbal.

In Europa gaat de populistische opmars verder. De euro blijft broos zolang de muntunie niet af is. De EU kampt met naar autoritarisme neigende leden en Europa is gevoeliger voor brandhaarden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, en voor de machtspolitiek van China en Rusland.

Door dat alles loopt het Europese groeipotentieel toch meer gevaar. Daarbij hoort de kanttekening dat we Trump nog niet in actie hebben gezien bij een economische crisis. Mochten de VS in een recessie belanden, dan kan de kat in het nauw rare sprongen maken.

Lees verder

Tijd Connect