opinie

Strijd tegen extreme ongelijkheid vraagt nieuwe golf van democratisering

De diepere oorzaak van de ongelijkheid, het centrale thema van Thomas Piketty (De Tijd, 31 oktober), is dat het overheidsbeleid is ingekapseld in het spinnenweb van de belangen van de machtigen en rijken, in plaats van gestuurd door het algemeen belang, zoals je in een democratie mag verwachten.

Door Koen Schoors, professor economie aan de UGent

Thomas Piketty, de Franse hoogleraar economie, was al langer een academische wereldautoriteit over de evolutie van ongelijkheid. Nu is hij er met zijn populariserende boek ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ in geslaagd in te breken in het maatschappelijke debat. Piketty’s ideeën slaan aan omdat hij traditionele maatstaven van ongelijkheid, zoals de Gini-coëfficiënt en de Theill-index, links laat liggen en ongelijkheid bestudeert aan de hand van figuren die iedereen begrijpt.

Hoe evolueert het aandeel van de top 10 procent van Amerikaanse grootverdieners in het totale inkomen? Het bereikte eind jaren twintig een hoogtepunt van meer dan 50 procent en daalde sindsdien spectaculair tot 35 procent. Maar sinds 1980 is het aandeel van die 10 procent grootverdieners weer aan het stijgen. Volgens Saez, een van Piketty’s academische coauteurs, bereikte dat aandeel in 2012 een historisch record van meer dan 50 procent.

©Frank Toussaint

Kijk je naar de superrijken, dan wordt het nog extremer. De top 1 procent grootverdieners had in de late jaren twintig 24 procent van het inkomen. Vanaf de jaren dertig begon dat aandeel te dalen tot uiteindelijk ongeveer 10 procent. Sinds 1980 neemt dat aandeel van de rijkste 1 procent weer toe. Het is eenvoudig: de 1 procent rijkste Amerikanen verdienen nu zo’n vierde van alle inkomens. De cijfers verschillen voor andere landen, maar de trend van toenemende inkomensongelijkheid is overal dezelfde. Dat was academisch bekend, maar nu weet iedereen het dus.

Historische uitzondering

Hoe evolueert het aandeel in het totale vermogen van de top 10 procent rijken? Aan de hand van een indrukwekkende en alomvattende gegevensverzameling toont Piketty aan dat ook daar de ongelijkheid spectaculair toeneemt. In 1910 had de top 10 procent van de Europeanen ongeveer 90 procent van het vermogen, in de VS 80 procent. Tussen 1910 en 1970 daalde het aandeel van de top 10 procent tot een dikke 60 procent van alle vermogen. De ongelijkheid van de vermogensverdeling daalde sterker in Europa dan in de VS. Sedert 1970 wordt de verdeling van het vermogen echter weer ongelijker. In de VS hebben de 10 procent rijken alweer ruim meer dan 70 procent van alle vermogen, waarmee ze het nu een pak beter doen dan de rijkste Europeanen. Als we kijken naar de top 1 procent wordt het extremer en opnieuw erg eenvoudig: de 1 procent rijkste Amerikanen hebben vandaag ongeveer een derde van alle vermogen in handen. De trend is alweer overal dezelfde.

Een groot deel van het toenemende rendement op kapitaal is nu te wijten aan de manier waarop een nieuwe technocratie de regulering en de hele overheid heeft gevormd en gebogen naar haar eigen voorkeuren.

Groeit de economie sneller dan het rendement op kapitaal? Piketty toont aan dat sinds de oudheid het rendement op kapitaal altijd hoger was dan de groei van de economie. Dat is volgens hem de oorzaak van de historisch erg hoge ongelijkheid in inkomens en vermogens. De enige historische uitzondering was een deel van de twintigste eeuw dat abrupt lijkt te eindigen in de jaren zeventig. De boodschap is alweer samen te vatten in een eenvoudige figuur: de 20ste eeuw was de historische uitzondering waar de economische groei hoger was dan het rendement op kapitaal. Nu lijkt die historische anomalie voorbij. De economie groeit weer trager dan het rendement op kapitaal en volgens de analyse van Piketty neemt bijgevolg ook de ongelijkheid weer toe.

Fiscaal beleid

Maar Piketty gaat niet echt in op de vraag waarom dat nu gebeurt. Op lange termijn lijkt de situatie waarbij kapitaal meer opbrengt dan de economische groei een gevolg te zijn van de manier waarop rijke burgers met een ruim netwerk invloed uitoefenen op de overheidsregulering en het overheidsbeleid, om zo een groter aandeel van de economische taart te bemachtigen. In de niet-democratische regimes van voor 1910 en in bepaalde delen van de wereld zijn die mechanismen evident, met de kolonisatie en uitbuiting als voorbeelden. Maar vandaag verloopt die invloed veel geniepiger en complexer. Een groot deel van het toenemende rendement op kapitaal is nu toe te schrijven aan de manier waarop een nieuwe technocratie de regulering en de hele overheid heeft gevormd en gebogen naar haar eigen voorkeuren. Dat zie je in het fiscaal beleid, in het kluwen van juridische constructies waarmee vermogen wordt omhuld, in de ingewikkelde bankregulering, in het internationale financiewezen, in het beleid rond intellectuele eigendom en in zoveel meer.

Op lange termijn lijkt de situatie waarbij kapitaal meer opbrengt dan de economische groei een gevolg te zijn van de manier waarop rijke burgers met een ruim netwerk invloed uitoefenen op de overheidsregulering en het overheidsbeleid, om zo een groter aandeel van de economische taart te bemachtigen

Als oplossing bepleit Piketty een hogere belasting op hoge inkomens en, zonder er blijkbaar zelf echt in te geloven, een substantiële vermogensbelasting. Een eerlijke belasting op de inkomsten uit vermogen is natuurlijk een goed idee. Maar de diepere oorzaak van de ongelijkheid is dat het overheidsbeleid ingekapseld is geworden in het spinnenweb van de belangen van de machtigen en rijken in plaats van gestuurd te worden door het algemeen belang, zoals je in een democratie mag verwachten. Het meest van al hebben we daarom nood aan een nieuwe golf van democratisering die de overheid weer zet op de koers van het transparante publieke goed in plaats van het ondoorzichtige private belang.

Lees verder

Gesponsorde inhoud