opinie

Van wie is het coronavaccin ?

Postdoctoraal Onderzoeker FWO, Vakgroep Geschiedenis UGent

Door een wankele start van de vaccinatiecampagne bevindt het patentrecht zich vandaag in het oog van de storm. Voor sommigen is dat een onaanvaardbare aanval op het eigendomsrecht. Maar historisch gezien is dat eigendomsrecht minder in steen gebeiteld dan vaak wordt gedacht.

De EU dreigde vorige week met een herziening van de patentrechten om de farmaceutische bedrijven weer in het gareel te krijgen. Ook de econoom Paul De Grauwe gaf argumenten om het patentrecht op coronavaccins af te schaffen. De steeds luider klinkende oproep om de vaccins in een publiek goed om te toveren stelt een diep verankerd systeem van universele eigendomsrechten en patenten ter discussie. En dat ligt gevoelig, want eigendom heeft een bijna heilig statuut. Machiavelli schreef in 'Il Principe' al dat 'een mens sneller de dood van zijn vader vergeet dan het verlies van zijn eigen bezit'.  Eigendomsrechten zijn nochtans veel veranderlijker dan ze lijken, en werden vaak aangepast aan de maatschappelijke noden van het moment.

Duidelijke eigendomsrechten worden vaak gezien als de hoeksteen van een goed gesmeerde (wereld)economie. De logica is duidelijk. Degelijke en afdwingbare eigendomsrechten, zeggen economen sinds decennia, garanderen stabiliteit in toekomstige transacties. Volgens de Amerikaanse econoom Douglas North verklaren stabiele eigendomsrechten het verschil in economische groei tussen landen.

Eigendomsrechten zijn historisch gezien veranderlijk en de inzet van machtsverhoudingen.

In de Angelsaksische traditie wordt eigendom als iets natuurlijks geïdealiseerd. De 17de-eeuwse Engelse filosoof John Locke beschouwde bezit als een natuurrecht dat slechts in bepaalde gevallen kon worden ingeperkt, maar vooral moest worden beschermd door de staat. Bezit werd zo de bron van soevereiniteit, natuurlijk en absoluut. Eigendom is nochtans geen van beide. Eigendomsrechten zijn altijd aan restricties onderhevig. We bezitten een huis, maar we mogen er niet mee doen wat we willen. Eigendom is nooit beperkt tot de één-op-één relatie tussen de eigenaar en hetgeen hij bezit, of het nu een patent is of een kat. Daarom zijn eigendomsrechten historisch gezien veranderlijk en reflecteren ze geldende maatschappelijke opvattingen. Sterker nog: ze zijn de inzet van machtsverhoudingen.

Eigendom versus publiek belang

De patstelling tussen het private eigendomsprincipe (dominium) en de publieke belangen (imperium) vormt wellicht het grootste spanningsveld in het definiëren van eigendomsrechten. Een tegenstelling die zich vooral tijdens grote internationale crisissen manifesteert. Na de Eerste Wereldoorlog bezorgden de steeds machtiger en groter wordende bedrijven menige tijdsgenoot kopzorgen. Net omdat de aandeelhouders van het grootbedrijf de controle uit handen hadden gegeven aan professionele managers, stelde de vooraanstaande Amerikaanse jurist Adolf Berle tijdens de Grote Depressie dat bedrijven geleid moesten worden volgens het algemeen belang en als publieke instellingen. De politicus en industrieel Walter Rathenau schreef reeds in 1919 dat privaat ondernemerschap ook dienstbaar moest worden aan collectieve belangen in de nieuwe economische structuur van de Weimar Republiek. In het door crisissen geplaagde interbellum sprak men dus over corporate social responsibility avant-la-lettre, in termen van regulering van eigendomsrechten. In de jaren 50 en 60 stond privaat eigendom wereldwijd onder toenemende druk. Gedekoloniseerde landen eisten naast politieke ook economische soevereiniteit op. Mits een billijke vergoeding werd onteigening een internationaal erkend principe. Privaat bezit moest bijdragen aan economische ontwikkeling.

Op het eind van de 20ste eeuw volgde een grote tegenbeweging. Privatisering werd de norm, zeker na de val van de Berlijnse muur. De tentakels van eigendomsrechten reikten steeds verder. Ze werden gedefinieerd op een groeiend veld van domeinen (technologie, cultureel, wetenschappelijk, digitaal, investeringen). Dat proces werd geschraagd door een complex landschap van internationale organisaties en solide afspraken, zoals de in 1967 opgerichte World Intellectual Property Organization (WIPO). Intellectuele eigendomsrechten werden verder gecementeerd in het WHO-akkoord van 1994. Internationaal afdwingbare eigendomsrechten, materieel en immaterieel, weerspiegelden zo de globaliseringsgolf en de oprukkende kenniseconomie. Eigendomsrechten kregen terug een universeel aura. En dat is eigenlijk heel recent.

Het lijkt vreemd dat aan eigendomsrechten tornen voor velen een brug te ver lijkt, terwijl andere universele rechten - het recht op onderwijs om er maar één te noemen - in de bikkelharde strijd tegen het virus werden gegooid.

Het lijkt vreemd dat aan eigendomsrechten tornen voor velen een brug te ver lijkt, terwijl andere universele rechten - het recht op onderwijs om er maar één te noemen - in de bikkelharde strijd tegen het virus werden gegooid. Maar een herziening van de eigendomsrechten is historisch gezien minder drastisch dan het lijkt. Zeker in crisistijden volgt de invulling van private eigendomsrechten nieuwe noden. In elk geval dringt een fundamenteel debat zich op. Wanneer mogen we iets als een publiek goed beschouwen? Hoe kunnen we innovatie vrijwaren? Het zijn zaken waar we over moeten nadenken. Een bewustwording van de veranderlijkheid van eigendomsrechten kan daarbij helpen.

Robrecht Declercq

Postdoctoraal Onderzoeker FWO, Vakgroep Geschiedenis UGent

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud