opinie

Verkiezingszege wordt geen cadeau

Het einde van de rentebonus maakt de gezondmaking van de overheidsfinanciën nog moeilijker. Vraag u alvast maar af hoe alle verkiezingsbeloftesdie het komende jaar op ons af komen betaald zullen worden.

De nieuwste vooruitzichten van het Planbureau brengen slecht nieuws voor de volgende regering. Het Planbureau verwacht dat de rentelasten op de overheidsschuld zullen stabiliseren. Daarmee komt een einde aan dertig jaar van ononderbroken daling van die rentelasten. Een verrassing is dat niet. De marktrente op Belgische overheidsobligaties op tien jaar zakte van meer dan 10 procent begin jaren 90 naar 0,1 procent in het najaar van 2016. Sindsdien nam ze wat toe, tot een nog altijd erg lage 0,7 procent vandaag. Die marktschommelingen vertalen zich met vertraging in de rentebetalingen van de overheid. Het einde van de rentemeevallers is dan ook in zicht.

De formidabele rentebonus werd de voorbije decennia vlot opgesoupeerd

De rentelasten op de overheidsschuld piekten in 1990 op 11,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp). In 2019 zal dat nog 2,1 procent zijn. Die daling is deels te danken aan de lagere overheidsschuld. Die zakte van 130 procent van het bbp begin jaren 90 naar iets meer dan 100 procent vandaag. Maar nog veel belangrijker was de spectaculaire terugval van de rente op de internationale obligatiemarkten. Voor alle duidelijkheid, de opeenvolgende Belgische regeringen hadden daar weinig verdienste aan. Maar ze konden er wel volop van profiteren. Gecorrigeerd voor economische groei en inflatie betaalt de Belgische overheid vandaag zo’n 43 miljard euro minder aan rente op haar schuld dan in 1990.

De budgettaire marge die vrijkwam door de lagere rentelasten had men kunnen gebruiken om de belastingen te verlagen, de overheidsinvesteringen te financieren, de overheidsfinanciën gezond te maken of om reserves op te bouwen om de vergrijzing op te vangen. Niets van dat.

De formidabele rentebonus werd de voorbije decennia vlot opgesoupeerd. De primaire overheidsuitgaven - de uitgaven zonder de rentelasten - liggen vandaag een dikke 8 procent van het bbp hoger dan in 1990. In euro’s van vandaag komt dat overeen met 38 miljard euro aan extra uitgaven. Meer dan tweederde daarvan ging naar sociale overheidsuitgaven. De rentemeevaller werd vooral gebruikt voor de verdere uitbouw van onze welvaartsstaat, terwijl opmerkelijk weinig gedaan werd om de toekomst van die welvaartsstaat op langere termijn veilig te stellen. De rentebonus had ruimschoots volstaan om de extra uitgaven door de vergrijzing te financieren. Maar de opeenvolgende regeringen hadden andere plannen.

Kwestie van geluk

Deze regering beloofde een trendbreuk in de gezondmaking van de overheidsfinanciën. Maar die kwam er niet. Volgens het Planbureau verkleint het totale begrotingstekort in deze legislatuur wel van 3,1 procent van het bbp in 2014 naar 1,4 procent in 2019. Die verbetering is zo goed als volledig te danken aan de lagere rentelasten en de gunstige conjunctuur, wat voor de regering vooral een kwestie van geluk is. De structurele verbetering van de begroting was zo goed als onbestaande.

Opmerkelijk genoeg deed de regering-Di Rupo het op dat vlak beter. De jongste serieuze inspanningen om de overheidsfinanciën gezond te maken, dateren trouwens van de regering-Dehaene. Sindsdien werd op dat vlak nog pijnlijk weinig gerealiseerd. En ook met de huidige regering kwam daar geen verandering in.

De budgettaire ruimte gebruiken om de belastingen te verlagen was verdedigbaar, maar het laat wel veel werk op de plank voor de volgende regering.

Deze regering tekende wel voor een andere trendbreuk. Ze ging voluit voor belastingverlagingen. En anders dan onder de regering-Verhofstadt werden de belastingverlagingen gefinancierd door effectieve besparingen. De primaire overheidsuitgaven zakten onder deze regering van 52 procent van het bbp naar 49,8 procent, het laagste niveau sinds 2008. De budgettaire ruimte die vrijkwam, werd niet gebruikt om de overheidsfinanciën te versterken, maar om de belastingen te verlagen. Wegens de hoge belastingdruk was dat een verdedigbare keuze, maar het laat veel werk op de plank voor de volgende regering.

Met nog een klein jaar tot de verkiezingen liggen de kaarten voor de volgende regering nu al moeilijk. Die zal als eerste in dertig jaar niet kunnen genieten van een rentebonus. Bovendien zal ze geconfronteerd worden met de toenemende impact van de vergrijzing en de onvermijdelijke extra overheidsuitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg. En zo goed als zeker zal het economische klimaat in de volgende legislatuur moeilijker liggen dan in de huidige. En dan zwijgen we nog over de inhaalbeweging die nodig is in de overheidsinvesteringen.

De volgende regering zal dus echt aan de bak moeten. Bij alle verkiezingsbeloftes die het komende jaar op ons af komen, kan het best onmiddellijk de vraag gesteld worden hoe die betaald zullen worden. Zelfs zonder nieuwe beloftes zal de volgende regering al serieuze budgettaire inspanningen moeten doen om de overheidsfinanciën op te kuisen. Het echte werk moet nog beginnen. Winst in de volgende verkiezingen wordt geen cadeau.

Lees verder

Tijd Connect