opinie

Vrijhandelsakkoord met Europa is een must voor Boris Johnson

hoogleraar internationale politieke economie aan de Johns Hopkins Universiteit in Washington, DC.

Op 1 januari is de harde brexit een feit, ‘deal’ of ‘no deal’ tussen Londen en Brussel. Toch is het verschil tussen een akkoord en geen akkoord vrij groot, vooral voor de Britten. Een bilateraal vrijhandelsakkoord is cruciaal voor de Britse economie en premier Boris Johnson.

Toen een meerderheid van de Britten op 23 juni 2016 voor brexit stemde, kwam dat aan als een existentiële schok voor de Europese Unie. Het ideaal van de naoorlogse Europese integratie was dat verbreding en verdieping van een steeds hechter Europees verbond hand in hand gingen. Nooit had men er bij stil gestaan dat dat proces ook wel eens in de omgekeerde volgorde zou kunnen verlopen. De Cassandra-voorspellingen van toen - dat de brexit het begin van het einde was voor de EU - lijken ondertussen achterhaald. Na kanselier Angela Merkels coronabocht de voorbije lente over het Europese herstelfonds toonde de EU haar veerkracht en solidariteit. Niet de Europese politieke unie staat onder constitutionele druk, maar wel die van Engeland, Wales, Schotland en Noord-Ierland.

©rv

De brexit was altijd een droom van Engelse nationalisten, die niet werd gedeeld door de Schotten of de Noord-Ieren van wie een meerderheid tegenstemde. De wens van de kiezer respecteren door de EU te verlaten, maar tegelijkertijd het Verenigd Koninkrijk samenhouden en de economie niet te veel schade berokkenen zou dus altijd een huzarenstukje worden. Die evenwichtsoefening werd Theresa May fataal, want een ‘zachte’ brexit, waarin het land lid zou blijven van de Europese douane-unie en de interne markt, zou het VK bombarderen tot een vazalstaat van de EU. De enige logische uitweg - waarbij men toch tenminste met de illusie van nationale soevereiniteit kan dwepen - was altijd een ‘harde’ brexit.

Niemand in het VK is eigenlijk echt klaar voor de harde brexit, want dààrvoor heeft men uiteraard niet gestemd.

Die harde brexit - waarvoor Boris Johnson campagne voerde in december 2019 en een duidelijk mandaat kreeg van de Britse kiezer - komt er aan op 1 januari, ‘deal’ of geen ‘deal’ tussen Londen en Brussel. Gedaan met het vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal, en mensen. Alles en iedereen wordt gecheckt aan de grens, met onvermijdelijk lange wachtrijen, vervelend papierwerk, en een hele resem nieuwe licenties, internationale paspoorten, en vergunningen tot gevolg. Niemand in het VK is daar eigenlijk echt klaar voor, want daarvoor heeft men uiteraard niet gestemd. Toch is het verschil tussen ‘deal’ en ‘no deal’ vrij groot - voor beide partijen, maar vooral voor de Britten.

Catastrofaal

Ten eerste, indien er geen bilateraal handelsakkoord is op 1 januari, worden in de EU handelstarieven en grensbelastingen geheven op een groot deel van de Britse goederen. In één beweging zal dat politiek gevoelige sectoren zoals de Britse landbouw, visserij, en auto-industrie zwaar beschadigen, want die zullen nog moeilijk kunnen concurreren met hun EU-tegenhangers. Zonder akkoord zal de EU de principes van de Wereldhandelsorganisatie moeten toepassen, waardoor men de Britten niet beter kan behandelen dan andere leden zoals Rusland of China. Catastrofaal voor de Britse economie.

Ook de Britse relaties met de Verenigde Staten zullen slechter worden bij een ‘no deal’.

Ten tweede is een vrijhandelsakkoord cruciaal voor Johnson. Het vergemakkelijkt immers het bereiken van overeenstemming over belangrijke nevenkwesties, zoals het minimaliseren van de douaneformaliteiten en het stroomlijnen van alle regels over bilaterale handel. Maar ook zoveel andere sectoren - zoals de luchtvaart, het wegtransport, de Eurostar, financiële diensten, juridische diensten, consulting, de samenwerking voor energie, politie en veiligheid - moeten een nieuw wettelijk kader krijgen. Begin daar maar eens aan als de relaties tussen de EU en het VK volledig zijn afgebroken en onder het vriespunt staan.

Daarbij komt dat de Conservatieve regering van Johnson van de ene beleidscrisis in de andere sukkelt en een serieus competentieprobleem heeft. Deze zomer was er het drama met de universiteitstoelatingen, toen een algoritme van de overheid een potje maakte van de testresultaten van veel jongeren. Ook het coronavirus geraakt maar niet onder controle. De nieuwe beleidsmaatregelen van deze week, die de persoonlijke vrijheid opnieuw serieus beperken, kunnen zes maanden in stand worden gehouden. Vergeet dus maar de gezellige eindejaarsfeesten rond de kerstboom met familie en vrienden.

Schotland

Maar het grootste gevaar voor Johnson bij een ‘no deal’ is de toekomst van het VK zelf. Sinds begin dit jaar tonen opiniepeilingen in Schotland een duidelijke meerderheid voor onafhankelijkheid. Vooral de jongere bevolking is enorm enthousiast. In de lente van 2021 zijn er regionale verkiezinge en de SNP-partij van Nicola Sturgeon zal de ‘no deal’-brexitchaos electoraal kunnen verzilveren. De roep naar een tweede referendum zal oorverdovend klinken en de democratische logica valt moeilijk te weerstaan.

Maar ook de Britse relaties met de Verenigde Staten zullen slechter worden bij een ‘no deal’. De Amerikanen kiezen dan de kant van Ierland en zullen het respecteren van het vredesakkoord van Goede Vrijdag (1998) in Noord-Ierland vooropstellen. Zolang de relaties met de EU niet zijn gladgestreken is er van een handelsakkoord met de VS geen sprake. Het beleid in Belfast moet sowieso beter worden afgesteld op Dublin en de EU vanaf 2021, zodat ook Noord-Ierland geleidelijk zal wegdrijven van Engeland en de droom van een herenigd Ierland werkelijkheid wordt. Johnson sluit dus maar beter een akkoord. De klok tikt.

Matthias Matthijs

Hoogleraar internationale politieke economie aan de Johns Hopkins Universiteit in Washington, DC

Lees verder

Gesponsorde inhoud