opinie

We zijn niet klaar voor een nieuwe crisis

Hoofdeconoom Degroof Petercam

Doemberichten over de volgende financieel-economische crisis krijgen onnodig veel aandacht. Toch zou achterover leunen - ‘het zal allemaal wel meevallen’ - dom zijn. De beleidsmakers moeten voorbereid zijn op het ergste, maar ze zijn het niet.

De wereldhandel stagneert en voorlopende indicatoren duiden zelfs op een nakende krimp, de eerste sinds de Grote Recessie. Wereldwijd schroeven bedrijven hun investeringsplannen terug. China kampt met tegenwind, de eurozone gaat er bijna bij liggen en Amerika ziet de bui hangen. Als kleine open economie glijdt België vlotjes mee onderuit. Centrale banken masseren geduldig de markten.

Ik voorspel hier geen nieuwe recessie en paniek is niet aan de orde. Maar we denken wel best na over hoe we een nieuwe economische neergang zullen bekampen, de stijgende maatschappelijke onrust indachtig. Want zoals MIT-coryfee Rudiger Dornbush ooit zei: ‘De crisis kan langer uitblijven dan je denkt, maar ineens slaat ze sneller toe dan je verwacht.’

©FONCK YVES

Is er nog beleidsruimte om de volgende dip te bezweren? Het korte antwoord is ‘ja maar’. Het gewogen gemiddelde begrotingstekort (zonder interestlasten) in de OESO bedraagt vandaag 1 procent van het bruto binnenlands product (bbp). In 2010 was dat 5 procent. Aan de monetaire kant daarentegen is er geen comfort, met name in Japan en de eurozone waar het belangrijkste rentetarief negatief noteert (-0,4%). Zelfs in de VS kan het met 2,5 procent snel krap worden. Als respons op de naoorlogse recessies verlaagde de Fed de rente gemiddeld met zo’n 4 procentpunten. De kwantitatieve versoepeling, ooit bestempeld als een uitzonderlijk instrument, is dan terug van nooit weggeweest. ‘Forward guidance’, de belofte om toekomstige rentevoeten op bodemniveaus te betonneren, zal luider klinken dan ooit.

Een milde recessie kunnen we zeker de baas, tenminste als het budgettaire beleid als speerpunt van de relance wordt ingezet en het schuldentaboe in de prullenmand belandt. Slecht getimede austeriteit is allicht de grootste westerse beleidsfout van het afgelopen decennium. De politicus of econoom die het omgekeerde beweert, bekleedt best geen al te prominente positie wanneer het opnieuw misloopt.

Maatschappelijke onrust

Onheilsberichten over de volgende financieel-economische crash krijgen vandaag allicht meer aandacht dan nodig. Natuurlijk is het niet slim er rustig van uit te gaan dat het allemaal wel zal meevallen. Beleidsmakers zijn beter voorbereid op het ergste. Dat zijn ze niet.

Alles wijst erop dat de relevante lessen van de Grote Depressie in de jaren 30, de Japanse liquiditeitsval vanaf de jaren 90 en de recente Grote Recessie in het beste geval slechts halfslachtig zullen worden toegepast. Die aanpak zou de wereldeconomie vervolgens zuur opbreken met een lange periode van slabakkende economische activiteit tot gevolg. Maatschappelijke onrust, iemand? Bovendien is de kans reëel dat een protectionistische retoriek het haalt van internationale samenwerking.

De Europese beleidsmakers hinkten de afgelopen tien jaar steeds achterop en lieten na het huis wind- en waterdicht te maken

We hebben de afgelopen tien jaar een serieuze kans gemist om meer beleidsruimte op te bouwen. Dan heb ik het niet over het sneller optrekken van de rente of het sneller afbouwen van de overheidsschulden, wel over twee alternatieve pistes die we verzuimden te verkennen.

Ten eerste, de 2 procentinflatiedoelstelling waaraan de meeste centrale banken vasthielden, had beter plaatsgemaakt voor een hoger cijfer. De resulterende hogere nominale rente (voor eenzelfde reële rente) biedt meer monetaire beleidsmarge. Voormalig IMF-hoofdeconoom Olivier Blanchard sprak van een doelstelling van 4 procent. Waarom niet? 4 procent inflatie betekent dat de nominale rentevoeten gemiddeld 2 procentpunten hoger liggen, waardoor de rente met 2 procentpunten extra kan dalen alvorens op de nulgrens te stuiten.

Ten tweede had men werk kunnen maken van een snellere uitfasering van cash geld ten voordele van elektronisch geld. Harvard-econoom Kenneth Rogoff toont in zijn werk aan dat dat een handige manier is om de liquiditeitsval, waarbij gezinnen en bedrijven hun geld oppotten, te omzeilen zonder de financiële sector extra te treffen. Als de mogelijkhei geld in cash aan te houden niet bestaat, kan de beleidsrente dieper onder nul worden geduwd om de recessie te bekampen. Uiteraard met de bedoeling nadien sneller hogere interestvoeten te hebben in de plaats van langdurig rond nul te blijven hangen, zoals nu het geval is.

Riemen

Ik merk weinig ambitie in die richting. We moeten roeien met de riemen die we hebben. Maar zelfs bij een nieuwe economische tsunami is het kalf nog niet verdronken. Japan heeft een overheidsschuld van zo’n 250 procent van het bbp en de balans van de Japanse centrale bank bedraagt inmiddels 100 procent van het bbp. De Japanse beleidsmakers zullen allicht de helikopter laten opstijgen als de nood het hoogst is. Dat is geen roekeloos pleidooi voor helikoptergeld (nieuw gecreëerd geld dat rechtstreeks aan de mensen wordt gegeven, red.), zie het als een ultiem verzekeringsinstrument.

Met respectievelijk 85 procent overheidsschuld en een centralebankbalans van 40 procent van het bbp zit de eurozone daar nog ver onder. Maar de politieke realiteit in de eurozone maakt een coherent en slagkrachtig beleid veel moeilijker. De Europese beleidsmakers hinkten de afgelopen tien jaar steeds achterop en lieten na het huis wind- en waterdicht te maken. Terughoudendheid en dogma’s over schuld en inflatie kunnen we missen wanneer het opnieuw ‘money time’ is.

Waar een wil is, is een weg. Maar de vraag is of de Europese ‘wil’ thuis zal zijn op het moment dat een groot recessiespook op de deur klopt. Ik twijfel eraan.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud