opinie

Zet woonmaatschappij niet buitenspel bij wonen in eigen streek

Directeur sociale huisvestingsmaatschappij Elk zijn Huis

Door de doelgroep scherp af te bakenen, wordt de nieuwe regeling ‘wonen in eigen streek’ een instrument van sociaal woonbeleid. Integreer dat dan ook in een globale aanpak.

‘Wonen in eigen streek’ duikt elke legislatuur wel eens op. In het omvangrijke Decreet Grond- en Pandenbeleid uit 2009 werden drie belangrijke instrumenten voor het woonbeleid opgenomen: bindende sociale objectieven per gemeente, daaraan gekoppeld een verplicht aandeel sociale woningen (de sociale last), en wonen in eigen streek. Twee instrumenten werden in 2013 door het Grondwettelijk Hof vernietigd na consultatie van het Europees Hof van Justitie. Alleen de sociale objectieven bleven overeind. De Vlaamse Regering haalt nu wonen in eigen streek vanonder het stof. De sociale last blijft in de kast, hoewel daar minder bezwaren waren voor het Europees Hof. Die sociale last zou nochtans een interessant instrument zijn om de budgetten sociaal wonen te benutten.

Wonen is in veel gemeenten, onder meer in de Vlaamse rand, voor jongeren zo goed als onhaalbaar. Daardoor brokkelt het sociale weefsel af.

De kritiek op wonen in eigen streek was in het vernietigingsarrest uit 2013 niet mals. Vlaanderen liet na aan te geven waarom de regeling, die inbreekt op het vrij verkeer van goederen en mensen, nodig was. Er werd aangegeven dat alleen sociale doelstellingen een te verantwoorden reden zijn voor ‘lokale voorrang’. In het nieuwe voorstel gelden strenge, objectieve voorwaarden. Een inkomensgrens en geen eigendom bezitten lijnt de doelgroep scherp af. Alleen wie daaraan voldoet kan op basis van woonbinding voorrang krijgen.

De essentie

  • De auteur
  • Björn Mallants is algemeen directeur van de sociale huisvestingsmaatschappij Elk zijn Huis in Tervuren. Hij schrijft deze bijdrage in eigen naam.
  • De kwestie
  • De Vlaamse regering wil gemeenten opnieuw de kans geven op de woningmarkt mensen te bevoordelen die 'een lokale band' hebben met de gemeente.
  • Het voorstel
  • Door de doelgroep scherp af te bakenen wordt de nieuwe regeling een instrument van sociaal woonbeleid. Integreer dat dan ook in een globale aanpak.

In het sociale woonbeleid zijn daarvoor instrumenten uitgewerkt die de toets van het Grondwettelijk Hof al hebben doorstaan. In de Vlaamse rand werken de sociale huisvestingsmaatschappijen daarnaast samen met de provincie Vlaams-Brabant aan sociale projecten met koop- en huurwoningen die rekening houden met regionale binding.

Aandacht om de lokale kernen te versterken via woonbeleid is een terechte bezorgdheid. Wonen is in veel gemeenten, onder meer in de Vlaamse rand, voor jongeren zo goed als onhaalbaar. Daardoor brokkelt het sociale weefsel af. Zeker voor wie zwakker staat, dreigt geen andere optie dan te verhuizen.

Geleend

De ministers stellen dat de regeling er is ‘voor wie te veel verdient voor sociaal wonen, maar te weinig om zelf iets te kopen’. Maar dat klopt niet. De voorwaarden zijn geleend van sociaal wonen. De kans dat de wettelijke toets wordt doorstaan, is daardoor natuurlijk groot. Wel is het vreemd dat de regeling niet geïntegreerd wordt in het globale sociale woonbeleid. Meer nog, woonmaatschappijen worden in de regeling voor wonen in eigen streek expliciet uitgesloten. Terwijl Vlaanderen met de oprichting van woonmaatschappijen net het sociale woonbeleid wilde stroomlijnen door nog maar één zo’n woonactor per gemeente te erkennen.

Gemeenten kunnen in het voorstel subsidies geven van minstens 50 procent van het grondaandeel voor kopers met lokale binding. Dat is een aanzienlijke subsidie voor woonbehoeftige kopers, terwijl subsidies voor gelijkaardige sociale koopprojecten nog niet zo lang geleden werden afgeschaft.

Bij de praktische uitwerking en het gebrek aan afstemming met een globaal sociaal woonbeleid kunnen vragen gesteld worden.

De insteek van de nieuwe regeling past duidelijk binnen de instrumenten voor sociaal woonbeleid. Het lijkt dan ook evident om dat te integreren in de werking van de woonmaatschappij.

De woonmaatschappij biedt in een uitgebreid regelgevend kader en onder nauwgezet toezicht een transparante en eerlijke toewijzing van woningen voor rechthebbenden. Dat ontbreekt in het voorstel. Nagaan of kandidaten voldoen aan de voorwaarden is complex en tijdrovend. De gemeenten moeten dat uitwerken voor enkele dossiers, terwijl de woonmaatschappij gelijkaardige administratieve processen doorloopt voor duizenden dossiers. Ook de opvolging van de bewoningsplicht, die vervat zit in de regeling, is niet evident door de beperkte schaal.

Bovendien bestaat het risico dat private ontwikkelaars het grotere beschikbare budget van kopers ‘afromen’ door de verkoopprijs van het gebouw te verhogen. De subsidie zou daardoor voor een deel wel eens niet bij de koper, die het nodig heeft, terecht kunnen komen.

De insteek van de nieuwe regeling past duidelijk binnen de instrumenten voor sociaal woonbeleid. Het lijkt dan ook evident dat te integreren in de werking van de woonmaatschappij. Op zijn minst zou de gemeente dat instrument ook voor sociale woonprojecten moeten kunnen inzetten.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud