opinie

Bedrijven in België kunnen structureel bijdragen aan het klimaat

Michael Wagemans

Door resoluut te kiezen voor innovatie kunnen bedrijven structureel bijdragen aan een duurzaam klimaatbeleid. Maar dat vraagt wel een overwogen aanpak.

De klimaatmars van Belgische scholieren beheerst al enkele weken het publieke debat. Het is bemoedigend dat jonge mensen een spiegel durven voor te houden aan oudere generaties over een uitdaging die ons allemaal zou moeten aangaan.

De boodschap die de jongeren brengen raakt een gevoelige snaar, getuige de aandacht die koning Filip eraan gaf in zijn jaarlijkse toespraak voor de ‘gestelde lichamen’ eerder deze week. Ook politici speelden snel in op het nieuwe sentiment.

Hopelijk hebben onze bedrijfsleiders de boodschap ook goed gehoord. Want zij zijn uniek geplaatst om betekenisvol bij te dragen aan oplossingen voor het klimaatprobleem. Dat kunnen ze doen door resoluut te kiezen voor innovatie. Of om het anders te formuleren: innovatie is essentieel om als bedrijf zinvol en rendabel bij te dragen tot de realisatie van de 17 zogenaamde Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties. Die omvatten de grootste uitdagingen van deze tijd, zoals klimaatverandering en armoede, en hebben als ultieme ambitie om van de wereld een betere plek te maken tegen 2030.

Er is al veel geschreven over die SDG’s. En veel bedrijven zijn daarmee bezig, ook in België. Dikwijls ligt de focus op het beheersen van de kwalijke neveneffecten van de kernprocessen van het bedrijf, zoals de uitstoot van schadelijke stoffen. Of het gaat om ‘goed doen’ in de marge van de bedrijfsvoering. Denk aan het voedingsbedrijf dat voor elke verkochte euro van product X een eurocent stopt in een fonds voor arme boeren in het Zuiden. Of de financiële instelling die elk jaar een culturele expositie over een miskend thema sponsort. Of het kledingmerk dat een inspectiefirma audits laat uitvoeren over kinder- arbeid bij zijn toeleveranciers.

Op zich is niets mis met die initiatieven. Weinig bedrijven denken echter structureel na over nieuwe producten en diensten die rechtstreeks kunnen bijdragen tot het klimaat of andere SDG’s. Dat is vreemd, want ‘goed doen’ kan de winst (veel) verhogen. Een bekend Belgisch voorbeeld is Umicore. Het ontwikkelt kathodematerialen voor geavanceerde batterijen. De performantie van het kathodemateriaal bepaalt het bereik van de elektrische wagen en dus het commercieel en maatschappelijk succes van groene mobiliteit.

De Belgische bedrijfsleiders die resoluut het pad van duurzame innovatie willen inslaan, moeten drie aandachtspunten in acht nemen.

Weinig bedrijven denken structureel na over nieuwe producten en diensten die rechtstreeks kunnen bijdragen tot het klimaat.

Het eerste is collectieve managementverantwoordelijkheid. Het managementteam van elk bedrijf zou zich de ecologische en maatschappelijke uitdagingen collectief moeten toe-eigenen. Hoewel maatschappelijk verantwoord ondernemen in ons land aan belang heeft gewonnen, staat het doorgaans veraf van de echte besluitvormers - het directiecomité en de raad van bestuur. Dat maakt dat duurzaamheid niet centraal staat in het verdienmodel van de onderneming. Bijgevolg verwateren de inspanningen voor duurzaamheid tot pr of kunnen ze moeilijk opgeschaald worden.

Het Nederlandse DSM is een mooi voorbeeld van hoe het wel kan. Onder impuls van CEO Feike Sijbesma onderging het een complete strategische transformatie van klassiek chemiebedrijf naar een ‘wetenschapsgedreven duurzame onderneming’.

Het tweede aandachtspunt is innovatie met nieuwe partners. Enkel via innovatie kan ‘goed doen’ in de kern van de business worden gebracht en gehouden. En die innovatie kan ver reiken: van producten en diensten over operationele processen tot, ultiem, het fundamentele verdienmodel. Bedrijven kunnen uiteraard een beroep doen op hun unieke troeven en vaardigheden. Maar om echt het verschil te maken, moeten ze ook beter leren samenwerken met andere organisaties. Om duurzame innovaties te ontwikkelen die levensvatbaar én schaalbaar zijn,idealiter wereldwijd, zijn nieuwe partnerschappen nodig, inclusief met organisaties die niet courant op de bedrijfsradar staan, zoals non-profits, sociaal ondernemers, socialprofitorganisaties, overheden, enz.

Bij Enel, de Italiaanse energiegroep met 63.000 medewerkers wereldwijd, maken ze werk van ‘open innovability’ (een samentrekking van ‘innovation’ en ‘sustainability’) om van Enel ‘het toonaangevende energie-innovatie ecosysteem’ te maken.

Het derde aandachtspunt is een langere tijdshorizon. Iedere organisatie die serieus met innovatie bezig is, weet dat volharding cruciaal is. Voor duurzame innovatie is dat zeker niet minder waar. We hebben nood aan bedrijfsleiders (en investeerders) die op lange(re) termijn durven denken en handelen.

Voormalig CEO van Unilever, Paul Polman, is pleitbezorger van zo een langetermijnhorizon. Hij maakte komaf met kwartaalrapporten, precies omdat die praktijk volgens hem haaks staat op de waardecreatie van de onderneming op lange termijn. Zelfs in de Verenigde Staten is dit debat nu ook actueel aan het worden.

Wanneer Belgische bedrijven deze drie uitdagingen aangaan, dragen ze niet alleen bij aan een beter kimaat. Ze leggen daarmee ook de fundamenten voor duurzame groei en een stevige rendabiliteit.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content