De alleenzetelende rechter is een overlevingsstrategie

©rv

Dat slechts uitzonderlijk nog drie rechters samen een strafzaak zullen behandelen, is niet per se slecht. De kwaliteit kan er wel bij varen, en rechtscolleges bogen nu in de praktijk meestal al op één rechter.

Door Jan Nolf, ere-vrederechter. Twitter@NolfJan

De minister van Justitie snoeit opnieuw aan de bomen van haar domein, of eerder in de tuinlieden ervan. Ook in strafzaken voor het hof van beroep zou de alleenzetelende rechter de regel worden.

Dat is minder nieuw dan het lijkt. Die alleenzetelende rechter wordt straks een eeuweling: anno 1919 ingeschreven om de oorlogsachterstand in te lopen. ‘Il n’y a que le provisoire qui dure’ is een regel die ook op justitie van toepassing is. Sinds 1985 geldt de ‘unus iudex’ zelfs in de meeste zaken, en werd het rechtscollege tot de uitzondering herleid.

Die evolutie is nooit in vraag gesteld, omdat de efficiëntiemeerwaarde ervan eigenlijk door iedereen erkend wordt. Justitie ‘must be done’ is een eerste voorwaarde van de rechtstaat die door verjaarschandalen ondergraven wordt. De alleenzetelende rechter is dus een justitiële overlevingsstrategie.

Fyra-rechtspraak

De trein der traagheid vervangen door Fyra-rechtspraak is natuurlijk ook geen optie. De vraag is echter of de kwaliteitstoets enkel of vooral problematisch zou zijn voor de alleenzetelende rechter. Het is wachten op de eerste objectieve meting als zouden vonnissen van alleenzetelende rechters vaker én terecht in beroep of cassatie bestreden worden. Dat zou nog kunnen tegenvallen, voor die wijze kamers van drie.

Het eeuwenoude wantrouwen ligt elders, met name in strafzaken. De latere Kamervoorzitter Jules Poncelet waarschuwde in 1919 voor ‘den zoo moeilijken en kieschen last uitspraak te doen over het kostbaarste wat bestaat: de eer der burgers en hunne vrijheid’. Die ingebakken achterdocht is echter gedateerd. Ooit zetelden middeleeuwse rechtbanken als vierschaar en revolutionaire rechters zelfs in een ‘Bureau’ van zes, een mini-jury dus.

Daar bestaat vandaag geen numerieke nostalgie meer naar. Hun aantal moest twee tekorten compenseren: een recrutering die amateurisme aan partijdigheid koppelde, en een ondermaats wettelijk kader dat klassenjustitie eerder organiseerde dan bestreed.

De technische opleiding van juristen is vandaag performanter dan ooit, en de rechtsbescherming is ondertussen zo verfijnd dat we op dat punt wel vaker in overkill belanden. Rechters hebben dus een betere juridische bagage mee, maar ook een nauwer keurslijf om zich heen. Vandaar dat rechtscolleges in de praktijk toch meestal op één rechter bogen en dossiers onderling naar voorkeurmaterie verdelen.

Neuspeuteren

De lichaamstaal op een zitting verraadt genadeloos welke twee van de drie rechters in een dossier niet meespelen. Stylokauwen, neuspeuteren en oorjeuk zijn feilloze indicatoren: ‘mijn collega schrijft dit vonnis’. De wet bevestigt dus een taakverdeling die al bestaat, en zal dure zittingstijd vrijmaken.

Die vrij milde wetswijziging kan overigens twee positieve neveneffecten hebben.

De alleenzetelende rechter kan het zich niet permitteren rond te turen. De individualisering van zijn taak zal zijn verantwoordelijkheid aanzwengelen. Werkvreugde mag geen illusie zijn binnen justitie. Net dàt kan voor meer kwaliteit zorgen.

Ook de tegenspraak van de advocaat wint aan intensiteit, want het debat krijgt een face to face-dynamiek. Bijgevolg zal de Hoge Raad voor de Justitie eindelijk ook resoluut moeten inzetten op menselijke kwaliteiten, karaktersterkte en empathie bij haar kandidaten. Als dàt al de bedoeling van de wet niet was, dan is het mooi meegenomen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content