Democratie vraagt open debat over het stakingsrecht

De woede van de linkerzijde over boetes tegen wilde stakingen bij overheidsbedrijven is misplaatst. Vakbonden contesteren een democratische rechtsorde die ze zelf gebruiken. Wie is er bang voor een open debat over het stakingsrecht?

Door Manou Doutrepont, stichter en directeur van het Social Dialogue Network voor betere arbeidsverhoudingen in bedrijven

De senaatscommissie Financiën heeft een wetsvoorstel goedgekeurd om onaangekondigde stakingen bij de spoorwegen te verhinderen. Het voorstel consolideert een protocolakkoord over niet-aangezegde werkonderbrekingen. Linkse organisaties reageren voorspelbaar furieus. Maar toch moeten we het debat aangaan en het opentrekken naar de privésector.

Het wekt toch enige verwondering. Er bestaat een protocolakkoord tussen de NMBS, Infrabel en de vakbonden. De wetgever wil die afspraak sterker maken door een sanctie op te leggen aan de stakers en een vergoeding te bepalen voor de gebruikers in geval van een onaangekondigde staking.

Rechtspersoonlijkheid

Waarom de verontwaardiging? De socialistische vakbond vindt dit initiatief antidemocratisch. Maar die redenering, die niet herhaald wordt door politici, is antidemocratisch op zich want ze negeert de rol van de wetgever. Vakbonden willen ontsnappen aan de wetgevende macht door de staking te laten gebeuren buiten de rechtsorde. Net zoals ze weigeren onderworpen te zijn aan de rechterlijke macht door geen rechtspersoonlijkheid aan te nemen.

Het is een paradox. Vakbonden gebruiken het (arbeids)recht om rechten af te dwingen (ook zij stappen naar de rechtbank), maar aanvaarden niet dat het recht hen verplichtingen oplegt. Als symbool van de contestatie van de rechtsorde waaruit zij en hun leden voordeel halen, kan dat tellen.

Er zijn nochtans serieuze argumenten om te pleiten voor een parlementair en maatschappelijk debat over het stakingsrecht. Of liever van de uitoefening van het stakingsrecht, omdat we staking op zich moeten tolereren in een democratie.

Het belangrijkste argument vinden we in het sociaal overleg zelf. De sociale partners, dus ook de vakbonden, hebben in 1971 de belangrijke collectieve arbeidsovereenkomst nummer 5 ondertekend. Daarin komen ze overeen dat een vakbond eerst een verzoeningsvergadering dient af te wachten vooraleer hij een stakingsaanzegging van een week kan betekenen. Pas na verloop ervan kan er gestaakt worden.

Rechtspraak

Met andere woorden, vakbonden ondertekenden de verbintenis om geen wilde stakingen te organiseren. In 1981 ondermijnde de rechtspraak de afspraak onder sociale partners. In het zogenaamde arrest Debruyne oordeelde het Hof van Cassatie dat de Belgische wetgeving de uitoefening van het stakingsrecht niet onderwerpt aan voorwaarden of modaliteiten, ook niet deze van cao nummer 5.

Sindsdien is het Belgische stakingsrecht het meest liberale dat men zich kan indenken: werknemers hebben het recht te staken zonder zich te bekommeren om de naleving van cao nummer 5. Het is een recht zonder plichten. Bij een wilde staking lopen noch de stakers noch de vakbonden enig risico. Alleen de wetgever kan het oorspronkelijk evenwicht herstellen.

Het initiatief van een politieke meerderheid - het etiket doet er niet toe - is democratisch. Het steunt op oorspronkelijke afspraken tussen sociale partners. Het fnuikt het sociaal overleg om uit een conflict te geraken niet. Het gaat niet in tegen de internationale rechtsorde. Het loopt gelijk met het stakingsrecht in onze buurlanden.

Daarom moet de kans worden gegrepen voor een open debat over een gereglementeerd stakingsrecht, met duidelijke regels en grenzen. Daarbij mogen onderwerpen als al dan niet vliegende piketten, uitzendarbeid, of langzaamaanacties niet geschuwd worden. In een democratie is die dialoog geen overbodige luxe. Wie is er bang voor?

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content