Di Rupo gedraagt zich als rauwe kapitalist

Ook de nobele PS-voorzitter Elio Di Rupo kan dus zijn geduld verliezen. Dan maakt de hoveling plaats voor de guerrillero. De Franstalige ideologie doet zelfs een goed socialist als Di Rupo zich als een rauwe kapitalist gedragen: hij en de zijnen beschouwen zichzelf als wettige eigenaars van de productiemiddelen, genaamd België.

Na al die jaren blijft de courtoisie waarmee de heer Di Rupo zich midden in de botheid van het Belgische spektakel beweegt een oogstrelende ervaring. Soms krijg je het gevoel dat hij een personage is uit de tragedies van Jean Racine dat de geschiedenis vergat af te voeren: die hoofse taal, die elegante mimiek, de ernst van de articulatie, dat perfect afgemeten woordgebruik. Een dubbel van Cyrano. Bovendien heeft Di Rupo mettertijd de burleske kantjes van zijn barokke theater weten af te vijlen. Geen gedoe meer over ‘Sa Majesté le Roi’ of ‘le Souverain’, Albert II heet nu gewoon weer ‘koning’.

Zelfs die vervolksing heeft Di Rupo’s hoofsheid niet geschaad. Integendeel, het maakte haar nog verfijnder, hooggestemder. Soms kan je niet anders dan medelijden hebben met die edele protagonist, die zich staande houdt tussen alle paljassen, dronkenlappen, scheve ketjes en ander Charles De Coster-gebroed. Als de macht al corrumpeert, en de top eenzaam maakt, hoe verzwakt en verloren moet deze diamant zich niet voelen onder zoveel turf en kolengruis?

Maar er is een moment waarop zelfs de nobelste held zijn geduld - en dus zijn manieren - verliest. Dat moment situeert zich meestal aan het einde van het vierde bedrijf, wanneer het stuk kantelt en de intrige haar dodelijke logica ontvouwt. Het verhaal dreigt te kapseizen en de personages met zich mee te sleuren. Dan durft de voorbeeldige held, moegestreden, wel eens buiten zichzelf te raken, van woede, van onmacht, van verdriet. Zijn ingetogenheid slaat om in uitzinnigheid, de taal verruwt, achter de fijne lippen verschijnen hoektanden.

Het heeft er alle schijn van dat afgelopen weekend Di Rupo’s vierde bedrijf was. In de koortsige reeks interviews die de Franstalige kopman weggaf - stuk voor stuk dramatische monologen, op het scherp van de snee - verscheen ineens de guerrillero vanachter het masker van de hoveling. Luidop denkend aan de mogelijkheid van een zich afscheurend Vlaanderen (een steeds realistischer wending in het Belgische draaiboek), liet Di Rupo zich in de krant La Libre Belgique ontvallen dat de staat Wallo-Brux in dat geval met het merk België zou gaan lopen. Want, voegde hij eraan toe, ‘la Belgique nous appartient’.

Dat eenvoudige zinnetje verdween geruisloos in de rode gordijnen. Niemand nam er akte van. Nochtans vormen net die vier woorden het einde van het vierde bedrijf. De hele tragiek van onze verdoemde natie ligt in die ene zin vervat. Hier werd, in een al dan niet vermeende woede, gekwelde trots of gekrenkte eer - kortom, op het summum van de dramatische actie - een akelige waarheid uitgesproken.

Het is, jammer genoeg, de waarheid van het Belgische drama. Oui, la Belgique leur appartient. Franstaligen beschouwen dit land, als het erop aankomt, als hun eigendom. Het is hun onroerend goed. Nederlandstaligen worden hooguit geduld als huurders, en dat wil zeggen: hún huurders. De huurder mag heus wel de kleur van de verf bepalen, of de motiefjes van het kamerbreed tapijt. Maar als het huis moet vertimmerd, is vooral de mening van de eigenaar van tel.

Bart De Wever (N-VA) sprak vorige week - tot woede, alweer, van de protagonist - over ‘reuzenstappen’ en ‘dwergpassen’. Hij formuleerde daarmee een aanklacht tegen de dubbele maatstaf waarmee in dit land over het Belgische huis wordt gemarchandeerd. De ene mag spreken als bezitter van het land, de ander moet de taal van de gebruiker hanteren. De Belgische democratie is in eigendom, de Vlaamse in bruikleen. Om het in de termen van het Romeins recht te zeggen: er is geen ‘emancipatio’, België wordt niet ‘uit handen gegeven’ - car la Belgique leur appartient.

IJZEREN LOGICA

Ja, het ging slechts om een dreiging, een emotie. Maar die doet meer dan een gevoel vertolken, ze verraadt een ijzeren logica. Want als Di Rupo er in één adem aan toevoegt dat na een splitsing de inwoners van de faciliteitengemeenten, ‘als zij dat wensen’, mee verhuizen naar de nieuwe staat, gaat het alweer om een superieure wens: de wens van de Franstalige in Vlaanderen, die telkens weer dat tikkeltje zwaarder weegt dan de wensen van Nederlandstaligen in België.

Dit is de logica: het personaliteitsbeginsel is een recht van eigenaars, het volgt hen overal, waar ze ook gaan; het territorialiteitsbeginsel is slechts een recht van huurders, dat vervalt zodra de eigenaar zelf in het pand zijn intrek neemt.

De Franstalige ideologie maakt dat zelfs een goed socialist als de heer Di Rupo zich als een rauwe kapitalist gedraagt. Dat is de echte schande. Hij gaat ervan uit dat hij en de zijnen de wettige eigenaars zijn van de productiemiddelen, genaamd België. Wie behalve zijzelf de Belgische machine hanteert, moet zich maar netjes gedragen, als welopgevoede arbeiders: het reglement volgen, de (alarm)bel respecteren, de eigendom van de baas in ere houden, burgerlijk gehoorzaam blijven. Nee, stekkers uittrekken, dialogen staken, laat staan de fabriek beheren, dat kan toch niet? Foei. Het kot is van ons.

Na dit weekend, na de ‘lapsus’ van de hoofse held, is het eindspel definitief ingezet. Straks valt het doek. Finalement. Oui, monsieur Di Rupo, la fin nous appartient.

Peter DE GRAEVE is filosoof en decaan van de faculteit architectuur en kunsten van de Associatie KULeuven. Hij is lid van de Gravensteengroep.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect