Groeien door saneren of door belasten?

©Dieter Telemans

Door Europese herzieningen is de Belgische staatsschuld toegenomen. De vraag is hoe ze weg te werken: via belastingen op vermogens of door besparingen?

Door Joep Konings

Europa heeft recentelijk een aantal wijzigingen aangebracht aan de berekening van de Belgische overheidsschuld en het bruto binnenlands product (bbp). Het resultaat is dat de schuldgraad stijgt tot 102 percent. Werk op de plank dus voor de komende regeringen. Saneren of belasten, is dan vaak de afweging.

De jongste tijd wordt vaak gepleit voor het belasten van de grote vermogens. Deze rijkentaks werd geïnspireerd door ‘Capital in the 21st Century’, de recente bestseller van professor Thomas Piketty, mijn vroegere studiekameraad aan de London School of Economics. Piketty toont aan dat de inkomensongelijkheid de jongste decennia enorm is toegenomen, vooral ten gevolge van de inkomenstoename van de 5 percent meest vermogenden, denk maar aan de superlonen van supermanagers.

De rijken worden alsmaar rijker omdat de opbrengst uit vermogen sneller stijgt dan de groeivoet van het bbp. Het bbp weerspiegelt het nationaal inkomen dat dient voor de vergoeding van de productiefactoren, zoals arbeid. Maar als het financiële rendement hoger is dan de economische groei, worden diegenen met een vermogen nog rijker. Dankzij de financiële markt, niet door arbeid of inzet.

Dit ondergraaft de democratie, die is gebaseerd op meritocratie. Deze rijkdom wordt overgedragen van generatie tot generatie wat de ongelijkheid nog doet toenemen. Het resultaat is een uit enkele rijke clans bestaande bovenlaag, waarvan de leden het waarmaken omdat ze in de juiste familie geboren zijn en beschikken over een kapitaalkrachtig netwerk.

De oplossing, zo stelt Piketty voor, is herverdeling door een rijkentaks, zoals een vermogensbelasting op onroerend goed of hogere successierechten. Op het eerste gezicht lijkt dit een goede oplossing om de overheidsfinanciën op orde te krijgen en kansen te bieden aan de werkende middenklasse indien daardoor de belastingen op arbeid kunnen dalen.

Onlangs wees de Financial Times echter op onzuiverheden in de door Piketty gebruikte gegevens. Verschillende topeconomen stellen nu vragen bij zijn analyse. Het academische debat is dus verre van beslecht. Wat zijn deze tegenargumenten? Piketty gaat ervan uit dat de komende jaren het rendement op kapitaal hoger zal blijven dan de groeivoet van de economie, zoals dat het geval was de voorbije decennia. Economen hebben echter geen goede reputatie als het gaat over het voorspellen van de toekomst. Het is evengoed mogelijk dat het kapitaalrendement de komende jaren veel lager zal uitvallen, gezien de globalisering en de financiële crisis van de jongste jaren. En dan zal de ongelijkheid afnemen.

Daarenboven stelt bijvoorbeeld Gregory Mankiw van Harvard University dat heel wat kapitaalkrachtige personen op een bepaald ogenblik hun kapitaal beginnen uit te geven, zeker wanneer men de pensioenleeftijd bereikt. Ze spenderen hun geld aan chique restaurants, sportwagens, luxueuze reizen, maar ook aan rusthuizen, gezondheidszorg en liefdadigheid. Dus niet alleen de opbrengst uit kapitaal, maar ook het kapitaal zelf stroomt terug in de economie.

Ten slotte, het opbouwen van vermogen komt niet uit de lucht vallen. Heel wat vermogensopbouw is het resultaat van arbeid, zeker in België. Een vermogensbelasting zal wellicht een impact hebben op de prikkels voor ondernemers, werknemers en getalenteerde jongeren om risico te nemen en bijgevolg op de innovatie. Het is net die innovatie die wèl een impact heeft op de economische groei.

De volgende regeringen moeten daarom inzetten op economische groei. Men moet ondernemerschap en innovatie belonen, door belastingen te verlagen, niet te verhogen. De voorbije jaren kende België nagenoeg een economische stilstand, niettegenstaande de binnenlandse vraag werd gestimuleerd via de automatische loonindexering, de genereuze sociale uitkeringen in de werkloosheid, de pensioenen en de gezondheidszorg.

De lage economische groei heeft dus niet te maken met een zwakke binnenlandse vraag, hij is eerder het gevolg van structurele problemen in het productieweefsel van onze economie, de aanbodzijde. De recepten zijn eenvoudig en waren populair in de jaren 80, men noemde zet ‘Reagonomics’.

Joep Konings
Gewoon hoogleraar economie,VIVES, KU Leuve

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect