opinie

Het sociaal overleg rebooten, het kan.

Niet het sociaal protest van de voorbije weken is het probleem, wel de werking (of niet-werking) van het sociaal overleg tussen twee interprofessionele stakingsgolven in. Dat kan nu twee richtingen uit. De sociale partners doen het model uit zijn as herrijzen, of het wordt steeds irrelevanter.

Door Paul Soete en Manou Doutrepont

Het Belgische sociaal overleg wordt gekenmerkt door een interprofessionele centralisatie en een groeiende overheidstussenkomst. Dat centraal overleg is een Europese uitzondering en valt samen met een andere: de automatische indexering. Het bestaat in een compromis tussen sociale gesprekspartners, financieel gesteund door de regering, die op haar beurt de factuur doorschuift naar de (toekomstige) belastingbetaler. ‘It takes three to tango.’

Ons sociaal overleg vindt zijn oorsprong in het sociaal pact (1944) en de Verklaring over de Produktiviteit (1954). Die verklaring was een kaderakkoord om de krachten op ondernemingsniveau te bundelen voor een hogere productiviteit, om dan de vruchten te verdelen tussen werkgevers en werknemers. Resultaat: groei en welvaart. De sociale ontwikkelingen op ondernemings- en sectorvlak voedden het interprofessioneel niveau. Tot aan de petroleumcrisis van 1974. Het model veranderde en kon geen echte vernieuwing op gang te brengen.

De politiek en de rechtspraak hebben de grote stenen in de rivier gelegd.

De politiek en de rechtspraak hebben de grote stenen in de rivier gelegd. De rechtspraak trok het thema van de gendergelijkheid, onder meer door het Barberarrest van het Europees Hof (1990). Het Arbitragehof (1993) en het Grondwettelijk Hof (2011) openden het dossier van het eenheidsstatuut arbeiders en bedienden. Het Hof van Cassatie (1981) stelde dat de stakingsvrijheid een onvoorwaardelijk en individueel recht is.

Loonvorming

De arbeidsduurvermindering met 5 procent was het werk van de regering-Martens begin jaren tachtig. In diezelfde jaren initieerde minister Hansenne de nieuwe arbeidsregelingen. De loopbaanonderbreking, later omgevormd tot tijdskrediet, is het werk van minister Van den Brande. Minister Vandenbroucke is de vader van de Wet op de Aanvullende Pensioenen (2003). En de Europees aangedreven antidiscriminatiewetgeving van 2003 en 2007 veroordeelde de loonbarema’s gebaseerd op leeftijd .

Maar de belangrijkste politieke tussenkomst in al die jaren gaat over de loonvorming . Sinds het begin van de jaren tachtig zijn er slechts zes jaar geweest met vrije loononderhandelingen (1987 tot 1992). En de regering-Dehaene tekende definitief de krijtlijnen voor de loonvorming (wet van 1996).

De lijst grensverleggende thema’s sinds 1974 overeengekomen door de sociale partners is korter. Cao 17 (1974) voerde het brugpensioen in, maar de regering stuurt het sinds 2005 bij. Cao 42 (1987) vergemakkelijkt de flexibiliteit door de waarborg van lokaal overleg. Cao 90 (2007), een sterk staaltje, maakte collectief variabel loon bespreekbaar in de ondernemingen. De Nationale Arbeidsraad vond daarnaast ook heel wat technische oplossingen voor ingewikkelde onderwerpen om detaillistische reglementeringen te vermijden. En ook de grondstroom van het sociaal overleg op sector- en ondernemingsvlak bleef aanhouden. Zonder veel wissel-werking echter met het interprofessioneel niveau , dat vooral gericht was op de loonvorming op korte termijn en niet belette dat de loonkosten verder ontspoorden.

Déjà vu

Vandaag domineren de internationale concurrentie en het overheidstekort de context. De handelsbalans sputtert. De automatische indexering legt een hypotheek. Door het initiatief van de regering is de rol van de vakbonden herleid tot ‘concession bargaining’. Het gevolg is een stakingsgolf. Het is een ‘déjà vu’. De eenheidswet (1961), de maatregelen van de regeringen-Tindemans (1974-1978), de devaluatie door de regering-Martens (1982), het globaal pact van de regering-Dehaene (1994), het generatiepact van de regering-Verhofstadt (2005) en de pensioenhervorming onder de regering-Di Rupo (2011-2012) lokten telkens nationale stakingen uit. Die ten gronde niets veranderden.

Is ons uitzonderlijke model van sociaal overleg dan versleten en moet het op de schop? We kunnen twee richtingen uit. Ofwel doen de sociale partners het model uit zijn as herrijzen. Dat vraagt ambitie: meer jobs, opnieuw groei, ondernemerschap, eerlijke verdeling, nieuwe maatschappelijke vraagstukken aanpakken en dus draagkracht voor verandering. Als antwoord op het beperkte perspectief op groei, de vergrijzing, de budgettaire uitdagingen, de polarisering van de arbeidsmarkt, de ‘disruptieve’ technologie, de globalisering, de dreigende toenemende ongelijkheid, de noodzaak van een taxshift, de grenzen van het overheidsbeslag, het einde van het fordistisch zakenmodel.

Ze kunnen met andere woorden het overleg ‘rebooten’ in de spirit van 1954. Dat geeft hoop op een omwenteling, op een impuls op alle niveaus, van het Europese sociaal overleg tot de sociale dialoog in de onderneming.

Ofwel gaat het sociaal overleg een institutionele crisis tegemoet: het model verwatert, de rol van de actoren krimpt tot een tussenstation bij consultatie. Zoals het gebeurt op Europees vlak, waar de sociale partners slechts een van de vele spelers zijn op een ruim middenveld. Het is geen fictie. Neem nu het mislukte overleg voor de aanpassing van de Europese richtlijn over de arbeidstijd. Bij gebrek aan advies van de Europese sociale partners gaat de Europese Commissie over tot een rechtstreekse enquête onder de bevolking. De bevraging van de ‘wijsheid van de menigte’ (J.Surowiecki) kan het middenveld zoals we dat vandaag kennen overbodig maken.

Paul Soete en Manou Doutrepont, respectievelijk ex-CEO Agoria en  managing partner Social Dialogue Network

 

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content