Mini of niet, meer jobs in Duitsland doen armoede niet dalen.

©Sofie Van Hoof

Is de armoede in Duitsland nu toegenomen of afgenomen? Alleen door te kijken naar wat de cijfers echt zeggen, kunnen we klaarheid scheppen in dit welles-nietesdebat.

Door Bea Cantillon en Natascha Van Mechelen, verbonden aan het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck.

In de commotie die de afgelopen dagen is ontstaan over de armoede in Duitsland wijzen sommigen op stijgende armoede, terwijl anderen het houden op een globale, stabiel gebleven armoede. Wie heeft gelijk?

Europa definieert het armoederisico zo: het aandeel gezinnen met een inkomen dat lager is dan 60 procent van het gestandaardiseerde mediaaninkomen (het inkomen in het midden van de inkomensverdeling, rekening houdend met de gezinsgrootte) in een bepaald land. Men gaat ervan uit dat het onder deze grens moeilijk is om gedurende een heel jaar de eindjes aan mekaar te knopen. In België gaat het bij wijze van voorbeeld om 1.301 euro per maand voor een alleenstaande ouder met één kind en om 2.101 euro voor een koppel met twee kinderen.

In Duitsland zijn er twee enquêtes die informatie geven over de evolutie van het aandeel mensen die onder die inkomensgrenzen leven. Naast de veelgebruikte Eurostat-gegevens die afkomstig zijn van een internationaal vergelijkende bevraging (ECHP/SILC), staan de SOEP-gegevens (socio-economisch panel). Die zijn gebaseerd op een aparte nationale bevraging.

Voor België beschikken we enkel over ECHP/SILC gegevens. In het kader van een breder onderzoek naar de armoedetrends in het precrisistijdperk vergeleken we beide databronnen.

Wat leren die gegevensbestanden? Gelet op de context van de discussie - de mini-jobs - beperken we ons hier tot de armoede onder de bevolking op actieve leeftijd (tussen 20 en 59 jaar). We bekijken eerst de trends in de economische groeijaren 1995-2001 en 2005-2008. In die jaren steeg de tewerkstelling in Duitsland met respectievelijk 2,2 en 6,6 procent. Volgens de Eurostatgegevens nam het armoederisico in het actieve deel van de bevolking in de periode 1995-2001 significant af, terwijl het risico op armoede tussen 2005 en 2008 sterk toegenomen zou zijn. Volgens de SOEP-gegevens daarentegen bleef de armoede in beide tijdvakken vrij constant.

Goede jaren

Hoewel de gemeten trends sterk verschillen naargelang de gebruikte databronnen, leren ze wél dat de sterke stijging van de tewerkstelling niet gepaard ging met een afname van het armoederisico. Dat geldt overigens ook voor België: de ECHP/ SILC-gegevens wijzen ook bij ons op een globale stabiliteit van de armoede in de goede jaren voor de crisis, ondanks de stijging van het inkomen en van het aantal mensen aan het werk.

Als we dieper graven in de cijfers van de jaren 2000 leren we dat in Duitsland - net zoals in België overigens - de armoede bij werkarme gezinnen (dat zijn koppels met één job, alleenstaanden die halftijds werken, werklozen, zieken en invaliden) is toegenomen, al naargelang de bron met 3 tot 13 procentpunten. Werkrijke gezinnen (veelal tweeverdieners) deden het duidelijk beter. De kloof tussen werkrijke en werkarme gezinnen werd dus groter.

Waar beide bronnen het ook over eens zijn, is dat in Duitsland het armoederisico onder de bevolking op actieve leeftijd hoger is dan in België, ondanks een globaal hoger tewerkstellingspercentage. Volgens de meest recente Eurostatcijfers bedroeg in 2010 de armoede bij de actieve bevolking 14,8 procent in Duitsland en 11,7 procent in België. Vooral voor uitkeringstrekkers en eenverdieners zijn de verschillen erg groot. In Duitsland bedraagt het armoederisico onder de gezinnen met een zwakke arbeidsintensiteit meer dan 58 procent, vergeleken met de (nog bijzonder hoge) 42 procent in België.

Meer werken

Maar ook de armoede bij hardwerkende gezinnen is in Duitsland significant hoger dan in België. Van de Duitse gezinnen die hun arbeidspotentieel (bijna) volledig inzetten heeft nog 7 procent een inkomen dat lager is dan de armoedegrens. In België is dat het geval voor 5 procent van de werkrijke gezinnen.

Het verband tussen meer werken - al dan niet in mini-jobs - en minder armoede is dus duidelijk veel complexer dan vaak wordt aangenomen. Niet alleen het aantal mensen aan het werk is van belang. Ook de verdeling van het werk over de gezinnen, de verloning ervan én de sociale bescherming voor diegenen die uitgesloten zijn van de arbeidsmarkt, zijn erg bepalende factoren. Er zijn geen aanwijzingen dat de Duitse gezinnen de crisis beter verteerd zouden hebben dan de Belgische. In beide landen is de armoede doorheen de crisis vrij stabiel gebleven.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content