Minnelijke schikking pendelt tussen pragmatisme en rechtvaardigheid

Alternatieven voor vier gevangenismuren verdienen alle kans, en dus is er met minnelijke schikkingen op zich niks mis. Helaas heeft het beleid alleen oog voor de overheidskosten en de proces risico’s. Zware fraude en omkoping mogen echter niet afgekocht worden.

Door Jan Nolf, ere-vrederechter en justitiewatcher. Twitter @NolfJan

De minnelijke schikking in strafzaken viert volgend jaar haar tachtigste verjaardag. Dat de invoering ervan in 1935 via een volmachtenwet gebeurde, oogde niet goed voor het democratisch gehalte van de ingreep. Dringende wetten worden bijna steeds door het parlement gejaagd met het motto ‘nood breekt wet’. Maar al voor de oorlog bleek het een voltreffer. Reeds in 1939 werd de toenmalige ‘afdoening buiten proces’ uitgebreid. Dat gebeurde nog eens in 1949, 1957, 1984, 1994 en 2011.

De transacties met het parket startten in 1935 als een soort snelkassa voor justitie: voorbehouden voor een klein pakketje courante koopjes voor verkeersovertreders of kleine boefjes. Met de Afkoopwet van 2011 kregen de zware jongens een eigen kassa met brede toegang: sindsdien ook omkoping en bloeddiamanten in de aanbieding. Dat laatste was - in de teksten van de Antwerpse topmagistraat Christiaan Nys - ‘mede het gevolg van het veelvuldig overleg dat in Antwerpen heeft plaatsgevonden tussen leden van het openbaar ministerie, vertegenwoordigers van het Antwerp Diamond Center, het VBO, professor Verstraeten en advocaat Haelterman en de gewestelijke directies van de FOD Financiën’. Eerste substituut Nys noemt die samenwerking zonder verpinken een ‘overlegplatform’.

Transparantie

Dat zeldzaam moment van transparantie over de historiek van de Afkoopwet - nota bene in een postuniversitaire ‘recyclage’-cursus voor juristen - brengt ons tot drie essentiële vragen. Wie bepaalt in een rechtstaat het beleid? Welk beleid - en dus welke samenleving - willen wij? En hoe willen wij het beleid uitgevoerd zien ?

Het parlementaire debat is het essentiële forum van een democratie. Aan die authentieke beslissingsvorming wordt nog amper lippendienst bewezen door besluitwetten als die van 1935, maar ook niet door de Afkoopwet. Die laatste werd zelfs niet besproken in de Commissies Justitie van het parlement, maar in die van Financiën. Ze werd holderdebolder door het parlement gejaagd, als een paragraafje in een mozaïekwet over duizend-en-een andere economische onderwerpen. Zo haastig dat er net voor het parlementair verlof van 2011 nog een reparatiewet op moest volgen, en daarna nog een rondzendbrief.

De rondzendbrieven van de parketten-generaal hebben steeds meer weg van een wetgeving-bis die de echte impact van de wet op het terrein bepaalt. De graadmeter van die toepassing - of niet - van de wet blijkt al te vaak de eigengereide werklastmeting van de parketten zelf.

Vraag sommige procureurs niet wat zij kunnen doen voor de burger, vraag hen vooral wat zij doen voor het eigen korps onder het motto van ‘no, we can’t’. En dus doen ze het niet. Het resultaat is dat steeds meer wetten dode letter worden en dat succesnummers die wel worden toegepast het resultaat zijn van een ‘overlegplatform’. Achterkamers vervangen het parlementair halfrond.

Deugd

Justitie is nochtans het enige departement met de naam van een deugd: die van de rechtvaardigheid. Herstellen is belangrijker dan straffen, want het maakt straffen soms overbodig. Met minnelijke schikkingen is op zich dan ook niets mis. Onderhandelde oplossingen en herstelbemiddeling kunnen ook in het strafrecht leiden tot rechtsherstel en verzoening. Dat is geen ‘soft justice’ maar - in de woorden van rechtsfilosoof Koen Raes - justitie vanuit een zorgzaamheidsperspectief. In een samenleving die meer moet verbinden en minder moet opsluiten verdienen de alternatieven voor vier gevangenismuren inderdaad alle aandacht.

Nu lijken echter uitsluitend de systeemkosten en de procesrisico’s het uitgangspunt. De minnelijke schikking wordt vooral verdedigd door de managers van justitie, doordrenkt van het ‘New Public Management’ waar de efficiëntie de maat is van alle dingen. Nochtans is het eigen aan fundamentele rechtsbescherming dat overheidskosten niet kunnen afgewogen worden op de schaal van de rechtvaardigheidsvereiste. Zowel zware fraude als omkoping mag niet afgekocht worden.

Ook wanneer optimale wetgeving democratisch beslist zou worden, blijft een permanente vraag over: de uitvoering. Ook in een ideale rechtstaat zullen parketten altijd keuzes over de opportuniteit van vervolging moeten maken. Daarover moet niet intern, maar publiek rekenschap worden afgelegd. Jaarlijkse hoorzittingen in het parlement van de nieuwe parketchefs moeten de staande magistratuur ontdoen van de geheimzinnigheid die haar geloofwaardigheid ondergraaft. Het is meteen ook het ideale forum om een gebrek aan personeel en centen aan te klagen. En wie kan daar tegen zijn?

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content