Ook financieel zwaartepunt verschuift

Nicolas Véron

Neen, de metamorfose van het financiële landschap zal het Westen niet veroordelen tot een onbeduidende rol. Maar het is tijd om te beseffen dat de Aziatische opmars onomkeerbaar is. Waarom het hoofdkwartier van de Wereldbank of het IMF niet naar daar verhuizen? Als symbool van westerse bewustwording zou dat tellen.

door: Nicolas Véron, senior fellow bij de Brusselse denktank Bruegel en visiting fellow aan het Peterson Institute for International Economics in Washington.

De opkomst van de groeilanden wordt nu al enige tijd erkend als een bepalend kenmerk van onze tijd, als het gaat over handel, industrie en een toenemend aantal diensten. Tot voor kort echter heerste de wijdverspreide indruk dat de internationale financiële wereld op een of andere manier aan die trend ontsnapt. Het overgrote deel van de financiële activa, de financiële bedrijven, de financiële centra en de financiële reguleringsmacht bleef geconcentreerd in de Verenigde Staten en Europa. Ook al was het economisch zwaartepunt in de wereld aan het verschuiven, het financiële zwaartepunt leek stevig verankerd in het Westen. Die indruk was echter een illusie, die nu snel aan het verdampen is.

De crisis heeft een krachtig versnellingseffect gehad, ook al waren er reeds voordien barsten in de financiële dominantie van het Westen. Sinds begin 2009 leggen financiële instellingen uit opkomende landen steeds meer gewicht in de schaal dan sectorgenoten uit de VS of Europa in de globale top 100 naar beurswaarde.

De Chinese banken domineren de wereldrangschikkingen al sinds eind 2007. Hun relatieve positie is versterkt, terwijl die van hun westerse sectorgenoten ondermijnd werd door de malaise op de financiële markten en door het afbouwen van schuldposities.

Op dezelfde manier zijn niet-westerse financiële centra zoals Hongkong en Singapore aan een opmars bezig in de tabellen. Staatsfondsen doen hun impact voelen in de globale markten. En in toenemende mate zorgen opkomende economieën niet alleen voor gigantische spaarpotten maar ook voor financiële activa waarmee kan worden belegd .

Maar het gaat niet louter om de cijfertjes. Op een minder tastbaar niveau heeft de crisis ook de superioriteit van de westerse modellen aangetast. Niet alleen hebben iconen als Merrill Lynch of Citigroup in het zand gebeten. De invloedrijkste financiële organisaties, zoals de Federal Reserve en de Securities and Exchange Commission in de VS of de Britse Financial Services Authority moesten toegeven dat ze ernstige beoordelingsfouten hebben gemaakt.

Daarentegen hebben de Chinese, Indiase of Braziliaanse toezichthouders, lang afgedaan als onderontwikkeld, met succes financiële stormen in hun thuisland voorkomen. Ze hebben zelfs instrumenten voor macroprudentieel toezicht toegepast - zoals een beperking van de loan-to-value-ratio’s, de verhouding tussen de hoogte van een hypotheek en de waarde van de woning - waar het Westen is aan voorbijgegaan.

Dieptepunt

De opkomende economieën voelen geen verantwoordelijkheid voor de crisis, ook al hebben ze er zelf onder geleden. De morele autoriteit van het Westen staat dan ook op een dieptepunt.

Al die verschuivingen zullen onvermijdelijk een impact hebben op het beleid over financieel toezicht. Het Basel III-akkoord is misschien wel het laatste prominente stuk internationale financiële regulering dat zo goed als alleen de ontwikkelde landen onderhandeld hebben. Vorig jaar hebben verschillende financiële organisaties, het Baselcomité en de Financial Stability Board inbegrepen, hun lidmaatschap verbreed om ook de grootste opkomende landen toe te laten. Een gelijklopende transformatie van hun werking is maar een kwestie van tijd.

De ‘ontwestersing’ van het globale financiewezen is geen mechanisch of uniform proces. De waarderingen van sommige aandelen uit opkomende economieën, vooral van staatsbanken, zijn opgepompt. Sommige rijzende spelers, zoals China, zijn niet happig om zich te engageren in mondiale kwesties. Veel opkomende landen beschikken maar over een beperkt aantal gekwalificeerde functionarissen, wat meteen ook hun capaciteit om globaal invloed uit te oefenen inperkt. Hun niveau van financiële ontwikkeling blijft vaak laag. Sommige landen staat misschien ernstige financiële instabiliteit te wachten.

Zelfs hun sterkste financiële bedrijven zijn gelimiteerd en zullen zich nog een tijd moeten beperken tot de snelgroeiende binnenlandse markt, in plaats van wereldwijd te gaan. Nochtans zal geen enkele van de genoemde factoren de algemene trend kunnen keren.

Toch dringt wat nu aan het gebeuren is niet tot iedereen door. Sommige westerse spelers, misschien vooral in Europa, zitten nog in de ontkenningsfase. En omgekeerd zien sommige partijen uit opkomende landen wel snel de opportuniteiten, maar niet de nieuwe verantwoordelijkheden die daardoor ontstaan.

Wantrouwen

De snelheid waarmee alles verandert, veroorzaakt angst en wantrouwen. Naarmate ze hun financieel systeem nieuwe regels opleggen door de crisis, vrezen de ontwikkelde landen dat de nieuwkomers zich zullen bezondigen aan oneerlijke concurrentie omdat ze gebruik kunnen maken van minder veeleisende regels, kortom aan ‘regulatoire dumping’ kunnen doen.

Sommigen in de opkomende landen denken daarentegen dat de door het Westen gedreven herregulering een gedroomd middel kan opleveren voor de gevestigde financiële centra om het speelveld te bevriezen en te voorkomen dat nieuwkomers voet aan de grond krijgen.

Die neerbuigende houding zou bij sommigen wel eens snel kunnen overgaan in een vlucht naar financieel protectionisme. Die houding overwinnen zal van iedereen veel inspanningen en een snel leerproces vergen.

Dynamiek

Het feit dat er een systeemrisico bestaat, betekent ook dat de dynamiek van de internationale concurrentie in de financiële wereld anders is dan in andere sectoren, omdat regulering er zo’n belangrijke rol speelt. Maar zoals in andere sectoren zal de herschikking van het globale landschap door de komst van spelers uit opkomende landen de westerlingen niet veroordelen tot irrelevantie. Heel wat gevestigde financiële instellingen kunnen voortbouwen op hun vaardigheden, hun organisatorisch vermogen en hun bewezen innovatiekracht om een comparatief voordeel te behouden en zich met succes globaal te ontwikkelen.

Wel moeten de beleidsmakers erkennen dat de financiële wereldgeografie onomkeerbaar aan het veranderen is. Een heel zichtbare symbolische wijziging zou echter de rijping van ons collectieve voorstellingsvermogen kunnen versnellen. Waarom niet het hoofdkwartier van een van de instellingen van Bretton Woods - de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds - verhuizen naar Azië?

Omgekeerd, diegenen die blijven vasthouden aan iets dat ze als een soort erfrecht beschouwen, zouden wel eens van een kale reis kunnen thuiskomen en bijna zeker de volgende verliezers in het mondiale financiële spel worden.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content