Als we er al niet in slagen de wet op het concurrentievermogen uit te voeren...

©Dieter Telemans

Het expertenrapport heeft de kloof tussen de interpretaties van de loonhandicap alleen maar verbreed. Laten we al eens beginnen met de wet op het concurrentievermogen uit te voeren.

Door Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom van Itinera Institute.

Zolang er werkgevers en werknemers bestaan, zullen er discussies gevoerd worden over de lonen. Zolang er een overheid bestaat, zal die discussie nog bitser worden, omdat de totale loonkosten betaald moeten worden door de werkgever, maar de werknemer daar maar een fractie van ontvangt. Om een nettoloon te ontvangen van 1.500 euro moet een werkgever 2.800 euro neertellen. Voor een nettoloon van 3.000 euro is dat een brutobedrag van 7.550 euro. Economen spreken in het eerste geval van een loonwig van 46 procent en in het tweede geval van 60 procent. In vele landen zou men België onmiddellijk in de categorie plaatsen van de planeconomieën, gezien zijn centraal loonoverleg.

Ons sociaal model heeft in het verleden diensten bewezen. Er is een traditie uit gegroeid van loonafspraken. Net om eindeloze discussies over cijfers te vermijden, werd de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) opgericht. Toch blijkt vandaag een heel leger adviseurs gemobiliseerd te moeten worden bij de Nationale Bank, het Planbureau en elders omdat men er toch niet uitkomt.

Weg consensus

Maar in plaats dat men met het expertenrapport nu eindelijk een breed gedragen analyse bekomt, lijkt er door dat rapport nog een bredere kloof te ontstaan. Terwijl er voor het verschijnen van dat verslag min of meer een consensus was over het bestaan van een loonhandicap, is die vandaag gesneuveld. Van een discussie over een beperkt interval rond een ontsporing van rond de 5 procent van de loonmassa, loopt de spreiding waarover nu gediscussieerd wordt uiteen van 0,5 procent (vakbonden) tot 16 procent (werkgevers).

De wetenschappelijke houding is stellen dat hoe meer we weten, hoe beter het is. Maar dat is niet altijd de politieke logica. Het in kaart brengen van de loonsubsidies en de verschillende interpretaties die daaraan gegeven worden, lijkt de discussie vandaag immers net te bemoeilijken.

Nochtans zouden we al heel wat verder staan indien we alleen al de wet op het concurrentievermogen (1996) al eens zouden uitvoeren. Volgens die enge maatstaf en de invulling die eraan gegeven werd door het speciaal gecreëerde orgaan van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, is er een ontsporing van de lonen met 5 procent. De wet stelt dat zo’n ontsporing gecorrigeerd moet worden. Hoe erg is het niet dat men zelfs daar niet in slaagt?

En hoe erg is het niet dat men het nog steeds aanvaardbaar vindt om te schermen met onze hoge productiviteit? Beseft men wel wat dat betekent? Door arbeidsbesparende investeringen (rationalisering via automatisering bijvoorbeeld) heeft men bespaard op de productiefactor arbeid, die zichzelf uit de markt heeft geprijsd. Als men de doelstelling heeft om opnieuw meer mensen aan het werk te krijgen, dan zal men de volledige kloof moeten dichten en niet alleen de ‘productiviteitsgecorrigeerde’ kloof.

Economische realiteit

Het zou goed zijn mocht het sociaal overleg zijn bestaansreden anno 2013 al eens opnieuw bewijzen door de praktijk van jobdodende anciënniteitspremies om te buigen. In theorie hebben we nationale overlegorganen opdat zij rekening zouden houden met de macrogevolgen van het loonoverleg. Wel, dat ze dat dan ook doen.

We hadden ook een andere weg kunnen bewandelen. Het logisch vertrekpunt is niet per se de loonkostontwikkeling, maar wel de economische realiteit op het terrein. Niemand kan het verlies aan marktaandeel van onze exporteurs ontkennen. Niemand kan betwisten dat onze handelsbalans is weggegleden tegenover twintig jaar geleden. Om ons sociaal bestel in stand te houden, moeten er 400.000 banen bijkomen tegen 2020. Een objectieve berekening toont dat om de groei arbeidsintensiever te maken en dus de werkgelegenheidsgraad tot het benodigde niveau op te krikken, een loonkostenvermindering van 5 procent maar een eerste stap is. Maar de weg van de economische realiteit volgen is blijkbaar niet vanzelfsprekend voor wie vooral juridisch denkt.

Totaalvisie

Al bijna tien jaar argumenteer ik dat lastenverlagingen geen gunstige invloed hebben op de concurrentiekracht, indien ze worden geneutraliseerd door loonsverhogingen. Alleen als lastenverlagingen buiten de loonnorm worden gehouden, lopen we onze achterstand in. Fundamenteel is die analyse is nog steeds niet doorgedrongen.

Uiteindelijk hangt alles met alles samen. Als we het menen dat we onze kinderen een economische toekomst willen geven, dan hebben we nood aan een competitieve economie. Dan spreken we over noodzakelijke hervormingen voor ons land: van onderwijs en integratie over een efficiëntere overheid en een verstandiger belastingstelsel tot de competitiviteitsvoorstellen vervat in het relanceplan van Itinera van 2012.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud