Basisopleidingen hangen beter niet af van sponsoring door bedrijven

©rv

Elk debat over een verhoging van de inschrijvingsgelden in het hoger onderwijs heeft eerst antwoorden nodig op een aantal basisvragen.

Door Georges Monard, onderwijsdeskundige, eresecretaris-generaal van het ministerie van Onderwijs

Is de verhoging van inschrijfgelden wel noodzakelijk gezien de andere onderwijsmaatregelen van de regering-Bourgeois? De uitvoering van de maatregelen zoals ‘betere schoolloopbaanbegeleiding in het secundair onderwijs’, ‘verplichte niet-bindende oriëntatieproeven’ en de uitvoering van het masterplan secundair onderwijs zal normaal gezien leiden tot minder studenten in het hoger onderwijs. Dat gebeurt op basis van hun mindere geschiktheid en niet op grond van de sociaal-culturele achtergrond en het inkomen van de ouders. Hoger onderwijs zal dus ook wat minder hoeven te kosten.

Kunnen we niet het effect van die maatregelen afwachten en intussen de inschrijfgelden alleen aanpassen aan de index? We weten goed dat een plotse grote verhoging een aantal minder bemiddelde, maar wél geschikte studenten zal weren; geleidelijke en zachte verhogingen doen dat niet. Schuiven we de last niet al te gemakkelijk af op de zwakste, maar belangrijkste partner: de student?

Gemeenschap

Basisopleidingen moeten worden gefinancierd door de gemeenschap. Ze beogen tegelijk menselijke en sociale vorming en een brede voorbereiding op het beroepsleven. Ze mogen in geen geval gedegradeerd worden tot pure beroepsopleidingen. Zij hangen beter niet af van sponsoring door de bedrijven. Zoals andere partners moeten de overheid en instellingen wel de dialoog aangaan met het bedrijfsleven, zoals met andere stakeholders, maar in volle onafhankelijkheid. Eerste bachelor- en masteropleidingen horen daarbij. Verdere specialisaties of tweede en derde diploma’s zijn maatschappelijk minder noodzakelijk, maar beogen heel bijzondere behoeften of perspectieven in de huidige of toekomstige arbeidsmarkt. Daartoe kan het bedrijfsleven verder een bijdrage leveren, hetzij rechtstreeks, hetzij via tussenkomst in de (hogere) inschrijfgelden van hun werknemers, vaak kaders.

Staat het voorstel van de gerespecteerde UA-rector overigens niet haaks op een van de hoofddoelstellingen van de nieuwe regering: de lasten op de bedrijven verminderen en zo hun competitiviteit verhogen?

Autonomie

Universiteiten en hogescholen zouden de geplande vermindering van de overheidstoelagen ‘mogen’ compenseren door voortaan zelf de inschrijvingsgelden te bepalen en te verhogen. Een vergiftigd geschenk? De reacties van rectoren die al een leven lang pleiten voor een ruimere autonomie, maar inschrijvingsgelden nu plots een taak van de overheid vinden, lijken wat verrassend. ‘Wel de lusten, niet de lasten’ . Maar, als elke instelling voortaan zelf de inschrijvingsgelden mag bepalen, dreigen de tarieven in elke universiteit en hogeschool (of associatie?) te verschillen. We zullen dure ‘prestigieuze’ universiteiten krijgen, en goedkopere voor minder betaalkrachtige studenten. Dat is een ongewenste ‘veramerikanisering’ van ons hoger onderwijs. Een van de basiswaarden van de Europese beschaving is een grotere gevoeligheid voor gelijke kansen, ongeacht inkomen en vermogen. Nu hebben dezelfde diploma’s van verschillende instellingen in principe een identieke waarde. Willen we voortaan universiteiten voor de elite (op basis van inkomen-vermogen) en andere, voor de doorsneestudent ?

Een mogelijk tegenvoorstel: de VLHUR (Vlaamse universiteiten- en hogescholenraad) bepaalt dezelfde inschrijvingsgelden voor alle instellingen, en de minister bekrachtigt die.

Bovenstaande basisvragen vragen duidelijke antwoorden. Gelukkig is minister Hilde Crevits een belangrijke troef. Maar wordt haar visie ook die van de regering?

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud