opinie

Compensatie voor belastingverlaging niet eenvoudig

Wim Coumans

Onlangs kwam er een reeks voorstellen voor een hervorming van de vennootschapsbelasting. De aanleiding zijn Europese en internationale bezwaren tegen de door België toegepaste overwinstrulings en de notionele intrestaftrek.

Wim Coumans is lid van de afdeling Fiscaliteit en Para-fiscaliteit van de Hoge Raad van Financiën.

©Dominic Verhulst / Dotch.be

De afschaffing van beide maatregelen zou leiden tot een hogere effectieve druk van de vennootschapsbelasting, wat het aantrekken van buitenlandse investeringen kan bemoeilijken. Daarom pleit men voor een drastische vermindering van het belastingtarief van de vennootschapsbelasting, en de schrapping van vermelde en andere fiscale uitgaven.

Een analyse van de gevolgen van dergelijke verlaging toont aan dat multinationale ondernemingen, die nu vaak weinig vennootschapsbelasting betalen, meer en kmo’s minder belasting zouden betalen. Daarenboven rekenen sommigen op terugverdieneffecten door meer economische groei bij kmo’s. Deze stellingen vergen een nuancering.

In zijn taxshiftadvies van 2014 formuleert de Hoge Raad van Financiën volgende besluiten uit een vergelijking van de fiscale druk op bedrijven onderworpen aan de personenbelasting met die op vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Eén: het huidige fiscaal stelsel stimuleert de overgang naar een vennootschap. Dat verklaart de ‘vervennootschappelijking’ tussen 1983 en 2012: een trendmatige stijging van de vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Twee: de voordelen van de omzetting naar een vennootschap verminderden de jongste jaren.

Cruciaal is de vergelijking tussen het maximale tarief van de personenbelasting en de combinatie van de vennootschapsbelasting met roerende voorheffing op dividenden.

Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt 33,99 procent; dat van de roerende voorheffing op dividenden 27 procent. Samen 52 procent, of ongeveer het hoogste tarief inclusief 7 gemeentelijke opcentiemen: 53,5 procent.

Bij een lager vennootschapsbelastingtarief van 25 procent, met 27 procent roerende voorheffing, zouden dividenden een totale taxatie van omstreeks 45 procent ondergaan. Dat is gevoelig minder dan de 53,5 procent. Dat zou ertoe aanzetten meer activiteiten van zelfstandigen en werknemers in vennootschappen te brengen, en zo daarop belastingen te besparen.

Tegenover de verhoopte terugverdieneffecten van een belastingverlaging staan onbetwistbaar terugverlieseffecten.

Tegenover de verhoopte terugverdieneffecten staan dus onbetwistbaar terugverlieseffecten. De verliezen zijn deels voor rekening van de gewestregeringen.

Billijkheid

De besproken voorstellen beogen een verhoging van de druk van de vennootschapsbelasting op de multinationale ondernemingen en een verlaging ervan voor de kmo’s. Vanuit billijkheidsoverwegingen is een dergelijke taxshift zeker verdedigbaar.

Maar dit argument moet afgewogen worden tegenover de reactie van die multinationals op eventuele verhogingen van de druk van de vennootschapsbelasting op hun Belgische activiteiten.

Investeringen van multinationals zijn een mobielere productiefactor dan investeringen in kleine bedrijven. Voor mobiele productiefactoren is er een grotere nood aan internationale belastingharmonisatie dan voor minder mobiele. Bij afwezigheid daarvan leidt de concurrentie tussen landen tot een lagere belasting. Door niet meer mee te doen aan dergelijke concurrentie zou een klein land met een open economie niet noodzakelijk middelen genereren die toelaten om de belasting op minder mobiele productiefactoren te verlagen.

De vaak veel lagere vennootschapsbelasting voor multinationals is economisch en sociaal onverdedigbaar. Dat moet worden aangepakt door harmonisatie op het vlak van Europa en de OESO. Als kleine open economie kan België die toestand niet alleen fundamenteel remediëren, het kan er wel van afzien een voorlopersrol te spelen in de concurrentieslag in de vennootschapsbelasting.

Notionele intrestaftrek

Met de notionele intrestaftrek zijn er twee problemen. Eén: andere landen hebben zo’n regime niet en kunnen het ervaren als een agressieve internationale concurrentiemaatregel in de vennootschapsbelasting. Twee: zeker bij aanvang was er nogal wat oneigenlijk gebruik. Ik weet niet of de remediërende maatregelen effectief waren.

Maar het concept is opportuun: de beperking van de fiscale discriminatie van het risicodragend kapitaal. Soms wordt gesteld dat het vennootschappen met weinig eigen vermogen zou discrimineren. Maar eigenlijk geldt het omgekeerde: bij afwezigheid van een notionele intrestaftrek worden de vennootschappen met een hoog eigen vermogen gediscrimineerd.

Als dividenden risicodragend kapitaal vergoeden, is de totale dividendbelasting van 52 procent hoog, omdat ze ook het deel van de dividenden treft dat alleen de inflatie compenseert.

Als dividenden door de vennoten gepresteerde arbeid vergoeden, is er geen belasting op de muntontwaarding van de geïnvesteerde bedragen. Precies voor arbeidsintensieve activiteiten is het hiervoor besproken risico op verdere vervennootschappelijking daarom problematisch.

Verlaging

De Hoge Raad van Financiën schat dat de afschaffing van de fiscale uitgaven en de notionele intrestaftrek samen een tariefvermindering van de vennootschapsbelasting met 4,5 à 6 procentpunten mogelijk maakt. De fiscale uitgaven betreffen vooral maatregelen ter stimulering van wetenschappelijk onderzoek, octrooien en investeringen. De afschaffing van de notionele intrestaftrek alleen zou goed zijn voor 3 tot 4,5 procentpunten.

De stelsels van de definitief belaste inkomens en de overdracht van verliezen zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. Er is allicht consensus dat beide stelsels in hun essentie moeten behouden blijven.

Een hervorming van de vennootschapsbelasting vergt een grondig onderzoek naar de impact op verdere vervennootschappelijking, de aantrekkelijkheid van België voor buitenlandse investeringen en de financiële structuur van de ondernemingen. Er is in deze geen laaghangend fruit te plukken.

Wim Coumans is lid van de afdeling Fiscaliteit en Para-fiscaliteit van de Hoge Raad van Financiën.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content