Advertentie

De zilveren medaille voor de financiële geletterdheid van onze jongeren zegt niet alles

©rv

Het onderwijs moet oog blijven hebben voor de grote invloed van de socio-economische thuissituatie van leerlingen op hun resultaten, ook voor financiële geletterdheid.

Door Lieven De Moor, hoofddocent financiële economie aan de VUB en de KU Leuven. Doet onderzoek naar de ­financiële geletterdheid van toekomstige ­leerkrachten.

De Vlaamse 15-jarigen halen de tweede plaats in de PISA-studie voor financiële geletterdheid. Die zilveren medaille aangrijpen om ons op de borst te slaan voor ons onderwijssysteem met betrekking tot financiële vorming is echter misplaatst. Achter die tweede plaats gaat een breed spectrum aan individuele scores schuil. Scores van individuele leerlingen, elk met hun eigen verhaal. Dat spectrum blijkt voor Vlaanderen zeer breed te zijn. Eens te meer is het belangrijk te onderstrepen dat een gemiddelde score handig is om te publiceren, maar gevaarlijk om er conclusies uit te trekken.

Hoe representatief een gemiddelde score is, hangt af van de onderliggende spreiding van de individuele scores. Hoe groter die spreiding, hoe minder betekenis het gemiddelde heeft. Een scoretabel van 5-5-5-5-5 en een van 1-1-5-9-9 bijvoorbeeld leveren allebei een gemiddelde score van 5 op, maar toch is er een groot verschil. Het feit dat voor Vlaanderen de spreiding van de individuele scores zeer groot is, betekent dat we zeer voorzichtig moeten zijn met conclusies op basis van de zilveren medaille.

Minder glans

Bovendien blijkt er ook een sterke relatie te bestaan tussen de individuele scores op financiële geletterdheid en de socio-economische thuissituatie van de leerlingen. Dat is wél een betekenisvol resultaat, en het geeft onze zilveren medaille op slag heel wat minder glans.

Het betekent dat ons onderwijssysteem - via de vakoverschrijdende eindtermen - niet in staat is om de bepalende invloed van de socio-economische thuissituatie op de financiële geletterdheid van leerlingen weg te nemen. We kunnen uit de PISA-resultaten dus net zo goed besluiten dat financiële vorming via het onderwijs niét goed werkt.

Moeten we het dan maar opgeven? Moeten we de investeringen in financiële vorming terugschroeven als blijkt dat het toch niet werkt en de socio-economische thuissituatie toch de meest bepalende factor is? Zeker niet. Financiële vorming geven via het schoolnetwerk biedt het grote voordeel dat alle jongeren worden bereikt. Voor de financiële socialisatie die in gezinsverband tot stand komt, is dat niet het geval. Ouders spelen daar een belangrijke rol, maar dat proces wordt beïnvloed door socio-economische factoren. Daardoor plukken jongeren uit kansarme gezinnen daarvan minder de vruchten. Dat effect zien we nu net in de PISA-resultaten, althans als we de moeite nemen om verder te kijken dan de zilveren medaille.

Bijzondere aandacht

Aangezien jongeren in hun leven nog veel financiële situaties het hoofd zullen moeten bieden, verdienen ze als groep bijzondere aandacht. Traditioneel zet men in de eerste plaats in op het verhogen van de financiële kennis, ervan uitgaand dat dat leidt tot een positieve verandering in het financieel gedrag. Het is dan ook belangrijk te bepalen wat daartoe de meest aangewezen financiële vorming is. Want op zijn beurt zal adequaat financieel gedrag leiden tot een verbetering van het financiële welzijn, bijvoorbeeld door een eigen pensioenplan op te maken.

We mogen die tweede plaats dus vooral niet aangrijpen om te besluiten dat het werk af is. De school blijft de plaats bij uitstek om financiële vorming aan te bieden en alle jongeren financiële kennis, attitudes en financieel gedrag bij te brengen. Het is een belangrijke garantie voor een betere financiële, en hopelijk een gelukkigere toekomst.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud