Economen hebben altijd gelijk. Binnen de juiste context

©Lieven Van Assche

De economische impact van staatshervormingen? De loonkosten? De superlonen van CEO’s? Telkens lijkt wat economen daarover zeggen diametraal tegenovergesteld. ‘Weten ze het zelf nog wel?’ Nochtans slaan wij niet wild om ons heen. Alles hangt af van de context.

Door Joep Konings, hoogleraar economie aan de KU Leuven

Economen geraken het nooit eens, besloot Kaaiman gisteren in De Tijd. Voor buitenstaanders heeft hij een punt: de ene groep economen pleit voor saneringen, de andere voor het Keynesiaanse recept dat door een verhoging van de overheidsuitgaven de consumptie ondersteunt. Volgens sommigen zijn de loonkosten te hoog en verliezen we daardoor concurrentiekracht, volgens anderen spelen ze geen rol en is er geen groot probleem met de Belgische economie.

En onlangs zei Paul De Grauwe dat de verschillende staatshervormingen in België geen effect hebben gehad op economische groei, of toch? De Nobelprijs voor de Economie 2013 werd toegekend aan Eugene Fama, Robert Schiller en Lars Peter Hansen. Vooral dat Fama en Schiller samen de prijs kregen, was een verrassing. Beiden hebben zonder twijfel hoogstaand academisch onderzoek op hun palmares staan, maar hun onderzoeksresultaten staan diametraal tegenover elkaar.

Loonkosten

Economen maken geregeld de fout te geloven dat er maar één juist model bestaat, één verhaallijn die alle economische fenomenen en problemen kan verklaren en ons toelaat het economisch beleid te voeden. Maar de echte kracht van economen ligt in het toepassen van het economisch instrumentarium in een specifieke context.

Neem het debat over de loonkosten. Die zijn in België bij de hoogste van de OESO-landen, vooral door de hoge lasten op arbeid. Een economisch basisinzicht is dat de loonkosten een weerspiegeling moeten zijn van de toegevoegde waarde per werknemer. Het is duidelijk dat voor arbeidsintensieve sectoren zoals de horeca of de bouw die toegevoegde waarde niet sterk kan toenemen, omdat innovatie in die sectoren veel moeilijker is dan bijvoorbeeld in de chemie.

De meeste economen zullen het wellicht eens zijn dat de loonkosten dus een groot probleem vormen in die arbeidsintensieve sectoren. Meer discussie zal er zijn over de kapitaalintensieve sectoren. Die zijn wel in staat te innoveren, en kunnen daardoor een toename in de toegevoegde waarde per werknemer realiseren die hoge loonkosten kan compenseren.

Sterker, je zou kunnen stellen dat hoge loonkosten en vakbonden net een extra prikkel geven om meer te innoveren in kapitaalintensieve sectoren, en innovatie was toch goed voor economische groei? De context, hier het type sector, is met andere woorden essentieel om tot een juiste economische conclusie te komen over de vraag of de loonkosten (lees: lasten) verlaagd dienen te worden.

Een ander voorbeeld waar economen het ook over hebben, zijn de superlonen van de CEO’s (of van voetballers). De jongste decennia is de inkomensongelijkheid nog toegenomen. Die ongelijkheid vloeit vooral voort uit de sterke toename van 1 procent van de inkomens, zo blijkt uit recent onderzoek. De rijken worden dus nog rijker, wat volgens sommigen maatschappelijk onaanvaardbaar is. De topinkomens, en zeker die van bankiers, worden dus onderworpen aan een rijkentaks.

Rijkentaks

Economen gebruikten vroeger vaak vuistregels, zoals het criterium van Pareto: een maatregel is welvaartsverhogend als minstens één burger meer verdient zonder dat het inkomen van de andere burgers erop achteruitgaat. Dus als de hoge vergoeding van CEO’s of andere supersterren gepaard gaat met een kleinere vergoeding voor andere werknemers in de samenleving, lijkt het inderdaad zinvol om als overheid in te grijpen.

Maar moet daarvoor een rijkentaks in het leven worden geroepen, zoals in Frankrijk? Niet noodzakelijk, opnieuw hangt het van de context af. Het is van belang de bron van zo’n graaicultuur te identificeren. Ze kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een (bijna) monopolierecht van een onderneming, zoals bijvoorbeeld Bpost. Of in het geval van banken, wanneer overdreven risicogedrag niet aan banden wordt gelegd. Die marktverstoringen geven aanleiding tot overdreven winsten die disproportioneel naar enkele bevoorrechten (managers) vloeien, ten koste van het algemeen belang. In die gevallen wordt het probleem snel verholpen de markt vrij te maken, zodat monopolies worden gebroken en de concurrentie zijn werk kan doen. In het geval van banken is het zaak de juiste regulering te implementeren, zoals wordt gedaan met de Baselrichtlijnen.

Dat economen het vaak oneens zijn, is niet anders dan in andere academische disciplines. Ook exacte wetenschappers, geneesheren, sociologen en psychologen kennen hun verschillen en debatten. Dankzij these en antithese ontstond toch de synthese en werd er van het ene paradigma naar het volgende gesurft? Dat is toch wetenschapsinnovatie? Laten we dus vooral blijven luisteren naar economen in hun context. Zoals de bekende statisticus George Box ooit zei: ‘Essentially, all models are wrong, but some are useful.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud