Een twijfelende partij is onaantrekkelijk

©doc

Na de wrevel over de strategie voor de verkiezingen van volgend jaar komt de wrevel over de sociaal-economische koers die de N-VA vaart. Er komt ruis op de boodschap van de partij, en verwarring maakt kiezers nerveus.

Door Nicolas Bouteca, politicoloog aan de Universiteit Gent

De jongste maanden zit er wat ruis op de N-VA-boodschap. Siegfried Bracke bracht een tijdje geleden het getwijfel in de partij over de te volgen koers voor de verkiezingen van volgend jaar naar buiten. Moet de partij daarbij opnieuw de communautaire kaart trekken of toch voorrang geven aan een zogenaamde sociaal-economische herstelregering, en de staatshervorming naar het achterplan verwijzen?

Nog voor de Vlaams-nationalisten die strategische knoop konden ontwarren, blijkt nu ook wrevel te bestaan over de sociaal-economische koers die de partij vaart. De groeiende ideologische onduidelijkheid kan de partij stemmen kosten.

Bourgeois

Strakke communicatie was lange tijd de grootste kracht van de N-VA. De partij sprak tot voor kort met één stem. Of gaf toch die indruk. Ze deed dat heel bewust en rekende daarbij af met de onduidelijkheid uit het Volksunie-verleden. Op de vraag of de VU nu links of rechts was, is ondanks de vele pogingen nooit een duidelijk antwoord gekomen.

Tot grote frustratie van de latere grondleggers van de N-VA. Op de vooravond van de splitsing van de Volksunie liet Geert Bourgeois daarover in een interview met De Standaard (juni 2001) het volgende optekenen: ‘Een partij moet ergens voor staan. (…) Maar ik geef toe, niemand weet waar de Volksunie tegenwoordig voor staat.’

Dat wilde de N-VA niet meer meemaken en de partij kiest daarom vandaag voor een duidelijke sociaal-economische koers die aansluit bij de Vlaamse grondstroom. Dat kom neer op een programma waarbij resoluut de kaart wordt getrokken van al wie spaart, werkt en onderneemt in dit land. Een sociale agenda lijkt op het eerste gezicht bijkomstig.

Die duidelijke liberale koers kwam er evenwel niet van de ene op de andere dag. De N-VA schoof, zeker in de perceptie, het voorbije decennium stelselmatig meer op naar rechts. Een groot deel van de eerste N-VA-programma’s was in de geest van de Volksunie nog gereserveerd voor maatregelen die de uitbouw van een Vlaamse welvaartsstaat op het oog hadden. Dat was trouwens een van de redenen waarom de sp.a in 2009 met de N-VA in een Vlaamse regering wilde stappen. Dat die Vlaamse sociale zekerheid vooral een opstapje naar Vlaamse onafhankelijkheid moest vormen, was blijkbaar geen bezwaar in de ogen van de sp.a-top. Al heeft die wel gelijk dat de N-VA toen nog lang niet de neoliberale uitstraling had die ze vandaag heeft.

Ommekeer

De beoogde uitbouw van een Vlaamse sociale zekerheid kwam echter in het gedrang door de economische crisis. De financieel moeilijke jaren lieten niet toe dat de regering-Peeters II daar werk van maakte. Al heeft het gemak waarmee de N-VA zich neerlegde bij het niet-realiseren van haar belangrijkste bijdrage aan het Vlaamse regeerakkoord wellicht ook te maken met de keuze om aansluiting te vinden bij de centrumrechtse grondstroom van Vlaanderen. Enerzijds meer sociale uitgaven in Vlaanderen doen en anderzijds aandringen op besparingen op het federale niveau is een verwarrende boodschap, waar de Vlaams-nationalisten zich liever niet aan wagen.

De grote ommekeer is er dus pas de jongste jaren gekomen. De twijfel tussen links of rechts werd ingewisseld voor een zelfverzekerde rechtse sociaal-economische strategie. De partij trok voortaan volop de kaart van het ondernemerschap en reserveerde niet langer een groot deel van haar programma voor de uitbouw van de welvaartsstaat. Die klassiek-liberale aanpak legde de Vlaams-nationalisten geen windeieren.

Rechterflank

Het voordeel van haar duidelijk profiel was immers dat de partij zich daarmee kon onderscheiden van de belangrijkste concurrenten op de rechterflank, Open VLD en CD&V.

Een twijfel tussen centrumlinks en centrumrechts zit ingebakken in de CD&V-ideologie, die werknemers en werkgevers wil doen samenwerken. Het gevolg is een enerzijds-anderzijdsdiscours dat veel kiezers onaantrekkelijk vinden.

Diezelfde gebrekkige scherpte ondermijnt ook de flinke liberale boodschap die Open VLD de wereld instuurt. Die sociaaleconomische visie is minstens even liberaal als die van de N-VA. Alleen zit Open VLD in een regering waar compromissen worden gesloten die ook naar buiten toe verdedigd moeten worden.

De rechtlijnigheid van de N-VA kreeg met het opstappen van Nick Mouton uit de partij afgelopen week evenwel een deuk. Zijn ontslag uit de partij maakt duidelijk dat de sociaal-economische twijfel uit het Volksunie-verleden nooit volledig uit de Vlaams-nationalistische gelederen is verdwenen. Afgaande op de individuele profielen van enkele N-VA-parlementsleden was het al langer duidelijk dat de partij intern nog steeds worstelde met die tegenstelling. Maar vanwege het hogere communautaire doel, een onafhankelijker Vlaanderen, slaagde men erin die onenigheid te onderdrukken. Nu men eventueel op basis van een sociaal-economisch programma aan een federale regering wil deelnemen, blijkt dat moeilijker.

Linkervleugel

Uit het verhaal van Mouton blijkt evenwel dat de N-VA niet van plan is rekening te houden met de linkervleugel in de partij. Dat is ook logisch, want electoraal valt daar niets te winnen. Het gros van de N-VA-stemmen wordt aangeleverd van op rechts. Bovendien vermijdt de partij het best ook de ruis die met een mengelmoes van linkse en rechtse maatregelen op het N-VA-verhaal zou kunnen komen te zitten.

De onzekerheid over het in 2014 al dan niet voorrang geven van het sociaal-economische op het communautaire maakt wellicht al heel wat kiezers aan de ondernemerszijde nerveus. Als men nu ook nog een verwarrend sociaal-economisch verhaal begint te vertellen, wordt stemmen voor de N-VA riskanter dan beleggen in Griekse overheidsobligaties.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud