Geen reden tot euroforie

©rv

De experts van het schaduwkabinet van De Tijd fileren de politieke toestand en reiken oplossingen aan waar nodig. Vandaag Joep Konings, schaduwminister van Economie.

Als we de recente winterprognoses van de Europese Commissie mogen geloven, zien we eindelijk licht schemeren aan het einde van de tunnel. De economische groei in de eurozone zal dit jaar 1,2 procent bedragen, en volgend jaar zelfs 1,8 procent. Voor België is dat respectievelijk 1,4 procent en 1,7 procent. Ook de overheidsfinanciën lijken onder controle, met een tekort van 2,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp) mag België binnenkort van het strafbankje van de Europese Unie. Politici zouden voor minder ‘euroforisch’ worden met de verkiezingen in zicht.

Sorry dat ik de spelbreker ben, maar ik deel die euroforie (nog) niet. Een recent EU-rapport toont aan dat - op basis van bbp-groeicijfers voor de periode 1969-2011 - groeivoorspellingen systematisch worden overschat. En de vertekening is doorgaans groter in crisistijden. Voor de eurozone wordt de groei gemiddeld met 0,5 procentpunt overschat. De regering kan dus beter voorzichtig ramen en uitgaan van een groei rond 1 procent.

De Europese Commissie biedt overigens geen inzicht in de onderliggende onzekerheid van haar voorspellingen, niettegenstaande er toch een aantal ‘zekere onzekerheden’ op tafel liggen. Zal de Europese Centrale Bank een agressiever monetair beleid moeten ontplooien om deflatie in te dijken? Dat kan leiden tot nieuwe politieke spanningen tussen de eurolanden en houdt het risico in dat de nodige structurele hervormingen op de lange baan worden geschoven. Hoe zullen de financiële markten reageren op een grondwettelijke crisis in Spanje over een onafhankelijk Catalonië? En hoe moet het verder met Griekenland? Deze greep uit ‘zekere onzekerheden’ kunnen makkelijk de feeststemming bederven, vandaar de noodzaak structurele hervormingen aan te pakken.

Ik zie twee beleidsprioriteiten met relatief beperkte budgettaire impact, gegeven het saneringstraject door Europa opgelegd. Ten eerste, verlaag de vennootschapsbelasting van 33,99 naar 20 procent en snoei in de aftrekposten. Een tarief van 20 procent komt overeen met de gemiddelde effectieve belastingvoet. De complexiteit van het Belgische belastingsysteem leidt tot een aanzienlijke discrepantie tussen de effectieve belastingtarieven van sommige grote bedrijven en die van kleinere entiteiten. Die kleinere bedrijven beschikken doorgaans niet over de mogelijkheden om dezelfde optimalisatietechnieken toe te passen als grotere bedrijven.

Daarenboven kan de creatie van tewerkstelling verbonden aan sommige van die aftrekposten ter discussie worden gesteld. Het verlagen van het algemene belastingtarief in combinatie met het wegwerken van enkele van deze aftrekposten leidt tot een transparanter belastingbeleid. Dat geeft de nodige zuurstof aan jonge en startende ondernemingen, die de basis van onze toekomstige groei en welvaart vormen. Daarenboven, is een lagere vennootschapsbelasting een magneet voor buitenlandse investeringen. En het is meermaals aangetoond dat buitenlandse investeringen een belangrijke bron van productiviteitsgroei en tewerkstelling vormen, met een grote multiplicator voor lokale ondernemingen.

Ten tweede, we moeten kansen bieden aan jongeren, zij vormen de basis van onze toekomstige welvaart. Hoog tijd dus om de jeugdwerkloosheid aan te pakken. Het loonbeleid is daarbij cruciaal. Hoge minimumlonen bemoeilijken de transitie van school naar werk. Jonge afgestudeerden zijn het minst productief, en worden vaak initieel tegen lage lonen aangeworven, als compensatie voor de kosten van hun opleiding tijdens de job. In Duitsland valt dat buiten de normale arbeidsmarkt vanwege de proefperiode en het statuut van de formele leertijd. Jongeren kunnen ervaring opdoen als leerjongen/meisje waarvoor ze heel matig worden vergoed. En als ze eenmaal in de arbeidsmarkt komen, is hun productiviteit hoog genoeg om een hoger loon toe te kennen.

Daarom is het belangrijk dat pas afgestudeerden, die niet die leertijd doormaken, kunnen worden aangeworven tegen lonen die niet gebonden zijn aan een minimum. De aanpassing van de minimumlonen moet niet noodzakelijk de financiële toestand van de jongeren precair maken. Het is belangrijk dat de minimumlonen geen rem vormen voor het aanwerven van jongeren. Er zijn voldoende alternatieven om het bestaansminimum van de jongeren te garanderen zonder hun kansen op werk te beïnvloeden. Dat leidt immers tot een werkloosheidsval die op zich op lange termijn de financiële toestand nog slechter maakt.

Joep Konings is gewoon hoogleraar economie aan de KU Leuven

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud