1
opinie

Handelsoorlog steekt lont in schuldenkruitvat

©AFP

De wereld staat in rep en roer door het gevaar op een handelsoorlog. Dat is niet onterecht. De combinatie van schulden en een lage potentiële groei is het grootste probleem van heel wat economieën. En een handelsoorlog verergert dat.

Eddy Markus is hoofdeconoom van ICC Consultants en ECR Resaerch en Andy Langenkamp is senior politiek analist bij ECR Research

Sinds de Tweede Wereldoorlog groeit de totale schuldenberg van economieën. Er was sprake van enig uitbalanceren: sterk oplopende overheidsschulden werden deels gecompenseerd doordat particulieren hun schulden verminderden en vice versa. Maar dat kon niet voorkomen dat schulden zo ver opliepen dat het onhoudbaar werd: de kredietcrisis van 2008 en de jarenlange nasleep ervan waren het resultaat.

Eddy Markus. ©Johannes Abeling Photography

De remedie voor de crisis was op z’n zachtst gezegd opvallend: de schuldencrisis werd bestreden met nog meer schulden. Centrale banken verlaagden de rentes - soms tot onder nul - en kochten enorme hoeveelheden obligaties op en in sommige gevallen zelfs aandelen. Door de enorme geldcreatie werden assetprijzen opgedreven. Daartegenover stond dat meer geleend kon worden.

Beleidsmakers kozen voor die weg door hun angst voor de combinatie van hoge schulden en deflatie. In de jaren 30 leidde dat tot de Grote Depressie. De deflatoire druk was na de kredietcrisis moeilijk weg te nemen, omdat die ook werd veroorzaakt door sterke structurele krachten: het prijsdrukkende effect van de globalisering, de technologische vooruitgang, de vergrijzing en het zogenaamde Amazon-effect. Daar kwam een ander drukkend effect bovenop. Door de kredietcrisis werd minder geleend en daalden de loonstijgingen. Consumentenbestedingen liepen snel terug. Met andere woorden: er was meer aanbod dan vraag. De dalende inflatie dreigde door te slaan naar deflatie.

Centrale banken en politici zagen geen andere uitweg dan de schulden verder op te drijven om via assetinflatie de economie weer draaiende te krijgen. Dat is gelukt, getuige de op dit moment goed draaiende wereldeconomie. Daardoor is ook het deflatiegevaar geleidelijk verdwenen en ontstaan hier en daar zorgen over een te snel stijgende inflatie. In Amerika groeien die zorgen nu Washington met belastingverlagingen een fiscale stimulans aan de economie geeft, net op het moment dat die al aardig op stoom is en de werkloosheid op een erg laag niveau is beland.

Andy Langenkamp. ©rv

De Amerikaanse centrale bank, de Fed, wil de inflatie en de rentes graag naar een hoger niveau tillen, mede om voldoende buffers te hebben om een volgende recessie te bestrijden. Maar de stijging van de rentes mag ook niet te hard gaan: dat zou de economische groei te veel afremmen en gezien de hoge schulden de renteverplichtingen te ver kunnen opdrijven.

De jongste tijd zijn de rentes vrijwel overal ter wereld gestegen. Velen zullen denken: ‘0,5 of 2 procent rente, wat maakt het uit? Het blijft historisch erg laag’. Dat mag zo zijn, maar vergeet niet dat de jongste jaren heel veel extra geleend is. Nu zijn die rentelasten nog te dragen door de heel lage rentestanden. Maar als de rente oploopt van 1 naar 2 procent, betekent dat een verdubbeling van de rentebetalingen, terwijl de loonstijgingen hooguit op 3 procent à 4 procent uitkomen. Rentelasten gaan dus almaar zwaarder wegen.

Dat is des te zorgwekkender omdat in veel economieën de totale schulden tot boven 300 procent van het bbp zijn gestegen. Studies tonen nochtans aan dat de - weliswaar niet in steen gebeitelde - grens ligt op zo’n 270 procent. Dan maken de rente- en aflossingsverplichtingen zo’n groot deel van de uitgaven uit, dat te weinig geld overblijft voor investeringen om de groei in de toekomst op peil te houden.

Als er voldoende perspectief bestond op een hogere potentiële groei, dan zouden de enorme schulden niet zo zorgelijk zijn.

Als voldoende perspectief bestond op een hogere potentiële groei (de optelsom van de toename van de beroepsbevolking en de productiviteit), dan zouden die enorme schulden niet zo zorgelijk zijn. Maar ruwweg ligt potentiële groei volgens de meeste economen in de VS op 2 procent, in Europa op 1 procent en op 0,5 procent in Japan. Als de loonstijgingen en de inflatie onder opwaartse druk komen, zakken economieën weer af naar zulke lage niveaus van economische groei.

De potentiële groei moet dus omhoog. Dat kan via een beter onderwijs, bijscholingen, de verbetering van de infrastructuur, meer uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (O&O) of het stroomlijnen van de arbeidsmarkt. Helaas zijn de vooruitzichten daarop weinig hoopgevend.

Dat brengt ons terug bij de handelsoorlog die Amerikaans president Donald Trump dreigt te ontketenen. Zodra de economische groei tot het potentieel terugvalt, weegt de schuldenlast almaar zwaarder en krijgt dat steeds meer negatieve consequenties voor de groei en de concurrentiepositie, onder andere door het gebrek aan investeringen. Die concurrentiepositie wordt verder aangetast als landen via importrestricties proberen de eigen groei te verhogen en die bij andere pogen weg te kapen.

Dat is een van de verklaringen voor de harde reacties vanuit bijvoorbeeld Brussel op Trumps initiatief om invoertarieven op staal te heffen. De Amerikaanse president wil misschien alleen een goede onderhandelingspositie bekomen om handelsverdragen te laten aanpassen, maar andere economieën zien de grijze wolken al samenpakken. Zij zullen niet aanvaarden dat de eigen concurrentiepositie wordt aangetast en het groeipotentieel nog lager wordt. Trump kan met zijn protectionisme wel eens de eerste dominosteen van een lange rij hebben omgegooid.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content