Advertentie

Het aantal onbesliste kiezers wordt overschat

In de tussentijdse ‘representatieve’ peilingen zijn ze nooit gerepresenteerd, maar afgelopen week bleken ze opnieuw met een ‘recordaantal’ aanwezig op de electorale markt. ‘Nooit eerder waren er zoveel onbesliste kiezers’, berichtte VTM de voorbije dagen, ‘een maand voor de verkiezingen weet maar liefst 27 procent van de kiezers nog altijd niet op welke partij ze gaat stemmen.’ Daarmee vormen de onbesliste kiezers momenteel in de peilingen meteen de tweede grootste partij in Vlaanderen.

Door Frank Thevissen

In 2004 klokte de onbesliste kiezers een maand voor de verkiezingen ook al eens af op 27 procent. De afgelopen tien jaar liep hun aandeel voor de verkiezingen trouwens telkens op tot een kwart van het electoraat. Postelectorale onderzoeken van het ISPO gaven bij vorige verkiezingen zelfs aan dat ‘de helft van het Vlaamse electoraat bij het begin van de campagne nog niet heeft beslist voor wie hij/zij zal stemmen.’ Bij 10 tot 15 procent van de kiezers zou de electorale keuze zelfs pas ontluiken in het stemhokje.

Als gevolg van die onderzoeken is de notie van de massaal dakloze kiezer vlak voor verkiezingen in Vlaanderen ondertussen stevig ingeburgerd. Partijen klampen zich tijdens de campagne dan ook gretig vast aan het idee van een nog ‘veroverbare electorale markt’.

Onbesliste kiezers voegen zo niet alleen extra sensatie toe aan de stembusslag. Het beeld dat verkiezingen in de laatste weken, dagen en zelfs uren voor de verkiezingen worden beslecht, versterkt de overtuiging dat partijen hun scores in de peilingen nog aanzienlijk kunnen verbeteren. Ook campagneadviseurs doen er hun voordeel mee. De grootschalige aanwezigheid van onbeslisten verschaft immers extra legitimiteit aan een verkiezingscampagne. ‘Spaar uw campagnekrachten tot de laatste tien dagen’ luidde het devies van Noël Slangen in zijn campagnehandleiding van 2007. ‘Bijna een derde van alle kiezers beslist pas de laatste week voor de kiezingen.’

Nochtans is de manier waarop de meeste onderzoeken kort voor verkiezingen omvangrijke aantallen onbeslisten optekenen omstreden en stroken de sensationele percentages veelal niet met bevindingen uit het buitenland. Veel hangt immers af van de wijze en het tijdstip waarop de (vermeende) onbesliste kiezer wordt geïdentificeerd en al dan niet wordt onderscheiden van zwevende kiezers met een labiele en sterk veranderlijke voorkeur.Voor nogal wat bevraagden biedt de positie van ‘onbesliste kiezer’ tijdens een enquête vaak een vluchtheuvel om de persoonlijke electorale voorkeur te verbergen. In postelectorale onderzoeken hebben de cijfers dan weer af te rekenen met geheugenfalen. In beide gevallen levert dat (ruime) overschattingen van het aantal onbeslisten op.

Internationaal schommelen cijfers over onbeslisten veelal tussen de 10 à 20 procent. Ook politicologen bij ons zijn het erover eens dat deze percentages de realiteit in Vlaanderen alvast dichter benaderen. Politicoloog Stefaan Walgrave (UA) en politiek opiniepeilers Jan Drijvers van TNS aarzelen alvast niet om het hardnekkige plaatje van een electorale markt die kort voor verkiezingen wordt overspoeld door onbelisten, af te doen als ‘nonsens’.

Bovendien leveren nogal wat onderzoeken waarin dezelfde kiezers op langere termijn worden gevolgd overtuigend bewijs dat de meeste kiezers verschuiven voor de sperperiode en partijkeuze van het gros van kiezers vastligt voor de start van de campagnes. Slechts langlopende panelonderzoeken kunnen uitsluitsel geven over de aard en omvang van het verschijnsel.

In oktober 2013 peilden we bij een staal van 3.048 kiesplichtige Vlamingen representatief geselecteerd uit het iVox-panel op basis van zeven sociodemografische variabelen naar de kiesintenties voor 2014. Aangezien dat bestand ook gegevens over het kiesgedrag bij vorige verkiezingen bevat, konden we per partij nauwkeurig de in- en uitstroom van kiezers tussen juni 2010 en oktober 2013 berekenen. Bij ruim twee derde van het kiezerskorps (68,5 procent) bleef de kiesintentie voor voor 2014 gelijk aan het stemgedrag in 2010. 17 procent van het electoraat (wisselkiezers) schakelde in diezelfde periode over naar een andere partij. De overigen konden op zes maanden voor de verkiezingen onmogelijk bepalen op welke partij zij op 25 mei 2014 zouden stemmen. Dat brengt het aantal onbeslisten, op zes maanden voor de verkiezingen, terug tot 14,5 procent.

In de mate dat stamkiezers en wisselkiezers op 25 mei 2014 vasthouden aan hun keuze, wordt de uiteindelijke score dus wel degelijk bepaald door het korps onbeslisten. Maar aangezien de onbeslisten uiteindelijk uitwaaieren over zowat alle partijen, kunnen zij met 14,5 procent nog onmogelijk voor aardverschuivigen zorgen.

Afhankelijk van de exclusieve aantrekkingskracht die een partij op onbeslisten kan uitoefenen behoren nettostijgingen of dalingen in de grootorde van maximaal twee tot drie procentpunten voor de grote en middelgrote partijen tot de mogelijkheden. De onbesliste kiezer zal uiteindelijk bepalen of en hoeveel procentpunten N-VA boven de 30 procent zal uitstijgen en of CD&V de vooropgestelde drempel van 20 procent zal halen.

Daarmee is de marge waarbinnen partijen hun reeds veroverde marktaandeel nog kunnen uitbreiden eerder beperkt en alleszins aanzienlijk kleiner dan de indrukwekkende percentages onbesliste kiezers laat uitschijnen. Veelal blijft de fanatieke jacht op de onbesliste kiezer tijdens de campagne daarom een vruchteloze inspanning zonder doeltreffende munitie.

Frank Thevissen is voormalig hoofddocent politieke marketing en bedrijfscommunicatie aan de Vrije Universiteit Brussel, media-auteur en communicatiespecialist

 

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud