opinie

Het klimaatdebat kantelt net op tijd

Er is een kentering gaande in het klimaatdebat – en net op tijd. De argumenten vóór actie en de economische kansen in het verlengde daarvan winnen in toenemende mate aan kracht, en dat zou leiders moeten stimuleren een toekomst gericht op groei en met nul koolstof keihard op de agenda te zetten tijdens de aanstaande G7-top.

Caio Koch-Weser is ondervoorzitter van Deutsche Bank, Paul Polman, is voorzitter van Unilever. 

©RV DOC

Het New Climate Economy Report, waaraan wij als leden van de Global Commission on the Economy and Climate graag hebben bijgedragen, toont aan dat klimaatverandering en economische groei heel goed kunnen samengaan en elkaar zelfs kunnen versterken. Na hun terugkeer van de klimaattop in Parijs hebben de regeringen van de Verenigde Staten, China en ook elders in de wereld hun eerste commitments aangekondigd en geloofwaardige stappen gezet om klimaatverandering te bestrijden. Die koerswijziging komt tot uitdrukking in vijfhonderd klimaatwetten wereldwijd, met daarin ook het belasten van uitstoot: direct, bijvoorbeeld via het EU-schema voor emissiehandel, en indirect, bijvoorbeeld via nieuwe regelgeving op het gebied van luchtvervuiling in China. De transitie is op gang gekomen, maar moet aan vaart winnen. De vraag is dan ook niet of we deze transitie wel willen. De vraag is hoe we die op een verstandige manier verder kunnen brengen.

De context waarbinnen de Europese economie zich een positie moet verwerven, wordt steeds meer gevormd door onderlinge afhankelijkheid. Wereldhandel, internationale investeringen, geïntegreerde distributieketens en geavanceerde logistiek, evenals moderne communicatiemiddelen en digitalisering, hebben een grote impact op de richting waarin de economische ontwikkeling zich beweegt. Tegelijkertijd – en ondanks de huidige vertraging – hebben opkomende markten snelle groei laten zien. China bijvoorbeeld, is uitgegroeid tot de grootste investeerder in schone technologie. Tegen 2030 zal ongeveer 60 procent van de consumptie van de mondiale middenklasse in Azië plaatsvinden, een stijging van 23 procent ten opzichte van 2009.

Deze ontwikkelingen maken een fundamentele heroriëntatie in Europa dringend nodig.

Ten eerste moeten we, nu we staan voor een noodzakelijke en dynamische overgang op minder koolstof, zeker stellen dat investeringen plaatsvinden op basis van een grondige analyse van het klimaat- en regelgevingsrisico en ons niet vastzetten in een niet-duurzame ‘business as usual’-modus. Waarschuwingen voor een CO2-luchtbel (de zgn. ‘carbon bubble’) moeten we serieus nemen. Investeerders zoals het Norges-staatsfonds met een omvang van 900 miljard dollar beginnen al in te zien dat klimaatverandering hun rendementen zal ondermijnen en dat overheden op den duur écht werk gaan maken van klimaatgerelateerde maatregelen.

Uitgebreide risicometing en openbaarmaking vormen de basis voor weloverwogen investeringsbeslissingen. Alle spelers in de investeringswereld moeten hun inspanningen intensiveren om klimaat, duurzaamheid en een genuanceerdere inschatting van risico’s te integreren in besluitvorming, due diligence, contracten van institutionele investeerders met vermogensbeheerders, beleggingsresearch en kredietbeoordelingen. In feite is dit een kans om te helpen het vertrouwen in de financiële sector te herstellen.

Er moet meer worden gedaan om ervoor te zorgen dat financiële instellingen het risico dat de CO2-luchtbel knapt (het zgn. ‘carbon asset risk’) sterker in hun afwegingen meenemen. Financiële toezichthouders zouden moeten samenwerken met banken om gemeenschappelijke standaarden vast te stellen voor due diligence op milieugebied en om gezamenlijk te onderzoeken hoe toekomstige klimaatscenario’s kunnen worden opgenomen in de vele risicomodellen van financiële instellingen. Zo werken bijvoorbeeld het World Resources Institute en UNEP Finance samen aan de ontwikkeling van de eerste ‘carbon asset risk’-gids voor financiële instellingen.

Bovendien is uitbreiding van de ESG-rapportage (Environment, Social en Corporate Governance) een essentieel mechanisme om de toegang zeker te stellen tot investeerders die in toenemende mate ESG-informatie nodig hebben in hun beleggingsproces. Geïntegreerde verslaggeving en openbaarmaking van ESG-gegevens vormen de grondslag voor besluitvorming gericht op de langere termijn.

Ten tweede zou de EU zich moeten manifesteren als markt die vooroploopt op belangrijke productgebieden, waar ambitieuze standaarden en regels voor markttoegang sterke prikkels creëren voor pioniers. Innovatie moet een centrale rol spelen waar het Europa’s concurrentievermogen en koolstofarme toekomst betreft. Er bestaat duidelijk behoefte aan technologische innovatieondersteuning en effectieve mechanismen om de markt te stimuleren. Zo zal tussen 50 en 63 procent van de vereiste CO2-reductie in de cementsector in 2050 afhangen van de inzet van innovatieve processen. Er zijn duidelijke stimulansen nodig voordat innovatie de stap kan zetten van research naar de markt en de ‘vallei des doods’ kan overwinnen. Het initiatief van 3,7 miljard euro van de EU en het ‘Bio-Based Industries Consortium’ is één voorbeeld. Dit publiek-private partnership is erop gericht Europa’s afhankelijkheid van fossiele energiebronnen te verminderen door middel van innovatieve technologieën en moderne bioraffinaderijen.

Innovatief industrieel beleid zal moeten worden afgestemd op een recyclage-aanpak. De ambitie om wegwerpproducten te vervangen door producten die ‘bewust recycleerbaar’ zijn en omgekeerde logistieke netwerken te creëren, vormt een krachtige prikkel tot nieuwe ideeën – en banen. Bedrijven als Renault, Philips en Vodafone hebben al circulaire principes geïntroduceerd. Unilever wist 200 miljoen euro te besparen door de implementatie van haar ‘Zero-Waste’-programma. In landen als het Verenigd Koninkrijk, met een volwassen recyclingsector en een snelgroeiende sector voor hergebruik en energie uit afval, wordt de businesscase om voor ‘zero waste’ te gaan steeds sterker.

Het creëren van netwerken (clusteren) waarvan ook de publieke en private sector en het maatschappelijk middenveld deel uitmaken, kan bijdragen aan een conjunctuur die productiever en dynamischer is.
Caio Koch-Weser (Deutsche Bank) en Paul Polman (Unilever)

Het creëren van netwerken (clusteren) waarvan ook de publieke en private sector en het maatschappelijk middenveld deel uitmaken, kan bijdragen aan een conjunctuur die productiever en dynamischer is. De EU bijvoorbeeld, stimuleert innovatie door toonaangevende spelers bijeen te brengen uit het hoger onderwijs, research en het bedrijfsleven om samen te werken binnen kennis- en innovatiegemeenschappen (Knowledge and Innovation Communities). Prikkels om te clusteren zouden in toenemende mate moeten aansturen op het integreren van klimaat en concurrentievermogen in lijn met een ambitieus koolstofarm industrieel beleidskader dat is gericht op innovatie.

In de geschiedenis van industriële omwentelingen zijn veranderingen vaak sneller tot stand gekomen dan sceptici aanvankelijk voor mogelijk hielden. Wereldwijd kijken landen naar de G7 voor sturing die verdergaat dan ‘business as usual’ en voor de beste aanpak om de transformatie van economieën te versnellen. Communicatie van een wereldwijde doelstelling van nul uitstoot tegen 2050 is dringend nodig om meer helderheid te bieden ten aanzien van de route die moet worden gevolgd.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud