Advertentie

Meppen op de Europese piñata voor binnenlandse snoepjes

©rv

Eurosceptici hebben overschot van gelijk als ze zeggen dat Europa te veel geld krijgt. Of liever, Europa verdient het niet extra geld te krijgen zolang de huidige geldpot zo slecht besteed wordt.

Door Daan Ballegeer, journalist. Werkte enkele jaren bij De Tijd en schrijft nu freelance voor onder meer De Tijd, Het Financieele Dagblad en Trends. Hij is auteur van het boek 'Ons Europa is niet dat van hen'. 

In België en Nederland hebben de overheden een begroting van ruim 45 procent van het bruto binnenlands product. In de VS heeft de federale staat een budget van 24 procent. In Europa is dat... 1 procent. Op het eerste gezicht is het dus niet verwonderlijk dat Guy Verhofstadt (Open VLD) klaagt dat Europa te weinig geld krijgt.

Het voorbeeld van de Europese fondsen illustreert evenwel dat te veel van het huidige budget slecht besteed wordt. Die beruchte subsidieruiven zijn jaarlijks goed voor 60,5 miljard euro, ruim 44 procent van het Europese budget. België krijgt daarvan jaarlijks bijna 1,7 miljard euro. Door de steun krijgen organisaties en lokale besturen soms projecten gefinancierd die ze anders waarschijnlijk nooit zouden uitvoeren.

Stel dat een gemeente een project wil ondernemen waarvan ze de maatschappelijke waarde op 70.000 euro schat. Als de kostprijs 100.000 euro bedraagt zal ze dat niet doen, aangezien ze die middelen uit haar eigen gemeenschap moet onttrekken via zichtbare belastingen. Als ze evenwel 40.000 euro Europese steun kan krijgen, verandert het plaatje. Dan ligt het deel van de kostprijs dat ze zelf draagt onder de maatschappelijke return.

Het lijkt wel het ei van Columbus, tot je beseft dat die Europese middelen evengoed via belastingen gefinancierd zijn door diezelfde burgers. De middelen komen immers uit de bijdrage die een land levert aan de Europese begroting. Door de bureaucratisering van die steun is de democratische controle echter helemaal weg. Een lokaal bestuur kan het best zo veel mogelijk subsidies proberen binnen te halen, omdat het op die manier profiteert van de bijdragen van andere besturen.

Onderzoek van de Universiteit Gent leert dat de belangrijkste Europese doelstelling van Vlaamse steden en gemeenten het binnenhalen van subsidies is. Toch heeft minder dan 10 procent daarvoor een strategie uitgewerkt. Als Europa de piñata is waar geld uit te slaan valt, dan zijn de meeste besturen het geblinddoekte kind dat hulpeloos met de stok zwaait. Vooral kleine besturen zijn vaak niet op de hoogte van welke fondsen ze kunnen aanspreken, of ze bijten hun tanden stuk op de ingewikkelde aanvraagprocedures.

Meerwaarde

Subsidiologen die wel hun weg vinden in het fondsenoerwoud kunnen er hun hartje ophalen. Zo heeft het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling drie langetermijndoelstellingen, die op hun beurt onderverdeeld zijn in zes verticale en drie horizontale prioriteiten. Ergens daarin moét dus wel een reden te vinden zijn voor een subsidieaanvraag. En zo vind je wandel- en fietspaden in dorpen als Kruibeke en Zele die mee gefinancierd zijn door Europa. Daar is weinige Europese meerwaarde aan, net als aan de 2,3 miljoen euro die Gent kreeg voor de heraanleg van zijn historische binnenstad.

De verstrekte subsidies zijn vaak suboptimaal, omdat ze met hun voorwaarden de ruimte die overheden hebben ernstig beperken. Een lidstaat kan in een minder welvarende regio de economische groei aanmoedigen door met behulp van Europese steun infrastructuurwerken uit te voeren. Maar misschien zouden beter andere noden gelenigd worden. Het opleidingsaanbod in die bepaalde regio kan ondermaats zijn, en de oorzaak dat zich geen bedrijven vestigen is niet dat er geen afrit op de snelweg in de buurt is, maar dat er geen geschikt personeel te vinden is. Die analyse kan het land of de regio het best zelf maken. Door Europese fondsen specifiek te oormerken voor infrastructuurprojecten wordt de speelruimte beperkt van de regio die ervoor in aanmerking komt.

Het probleem van die carrousel - geld dat van een land naar de EU-begroting vertrekt om later deels en onder voorwaarden terug te keren - is reëel. Neem het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk. Ongeveer 70 procent van wat dat land bijdraagt aan de Europese begroting komt terecht in andere lidstaten. Van de resterende 30 procent gaan maar 5 procentpunten naar andere regio’s in het VK. Dat betekent dat een kwart van het geld van de Britse EU-bijdrage terugkeert naar dezelfde regio’s waar het is opgehaald. In Spanje is dat zelfs meer dan de helft.

Behoeftige landen

Door die carrousel te elimineren kan de Europese bijdrage van de rijkere lidstaten omlaag en ontstaat er meer ruimte om een op maat gemaakt binnenlands beleid te voeren. Het zou beter zijn de regiofondsen enkel nog te gebruiken voor lidstaten die daar echt nood aan hebben. De Europese steun heeft in het verleden zijn nut bewezen als het gaat om ontwikkelingslanden als Spanje, Portugal en Griekenland in de jaren 80. Die hadden nog geen democratische structuren die hun degelijkheid hadden bewezen, en dus was het werken op projectmatige basis een verdedigbare oplossing. Dat wantrouwen tegenover de kracht van democratische structuren is evenwel niet op zijn plaats als het om welvarende rechtsstaten gaat die hun soliditeit al bewezen hebben. De stiefmoederlijke Europese behandeling leidt daar terecht tot ergernis.

De structuurfondsen beperken tot de meer behoeftige EU-landen heeft nog een ander, niet te onderschatten voordeel. Ze zouden daardoor meer structurele hulp kunnen krijgen. Ironisch genoeg komen de armere lidstaten die er sinds 2004 zijn bijgekomen in aanmerking voor iets meer dan de helft van de structuurfondsen, maar halen ze er maar 35 procent van binnen. Dat komt omdat de besturen daar hun weg niet kennen in het Europese fondsenoerwoud, de administratieve lasten te hoog zijn of omdat er onvoldoende controlemechanismen zijn. Maar ook omdat het land problemen had om zelf genoeg geld op tafel te leggen (de projecten vereisen steeds cofinanciering).

Waarom zou de Commissie zich in die landen niet meer richten op processen in plaats van op projecten? Ze zou haar expertise, of de best practices van haar lidstaten, kunnen aanbieden om structurele hervormingen te implementeren. Denk bijvoorbeeld aan het opleiden van belastingambtenaren, het ontvetten van de staat door overheidspersoneel te begeleiden naar een job in de privésector, of het meehelpen opzetten van een dienst fraudebestrijding. Hoe luidde die uitdrukking ook alweer? ‘Geef een man een vis, en hij eet voor een dag; leer hem vissen, en hij kan levenslang eten.’

Dit is een bewerkte versie van een hoofdstuk uit Ballegeers boek ‘Ons Europa is niet dat van hen’, dat vandaag verschijnt. De Bezige Bij, 19,99 euro.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud