Moddercatch rijmt niet met het belang van onze overheidsbedrijven

©rv

De relatie van de politiek met haar overheidsbedrijven mag niet worden herleid tot een partij moddercatch, zoals rond de NMBS. Die relatie is daarvoor veel te belangrijk.

Door Wouter Van Dooren, professor bestuurskunde departement politieke wetenschappen, Universiteit Antwerpen

De media serveerden ons deze week een moddergevecht in regel tussen ex-spoorbaas Marc Descheemaecker en sp.a-minister Johan Vande Lanotte. Bij zo’n spektakel wenden de toeschouwers - de kiezers, de reizigers, de krantenlezers - doorgaans snel de blik af. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen, niet?

De NMBS-rel vertelt ons echter nog een ander verhaal. Een verhaal over de paradoxale situatie van de overheidsbedrijven vandaag. Partijpolitieke netwerken vertakken zich tot diep in de overheidsbedrijven. Tegelijk verliest de politiek controle over de beleidsvorming in de overheidsbedrijven. De marges van het politieke speelveld worden steeds smaller. We hebben dus te veel politiek, maar ook te weinig.

De top van onze overheidsbedrijven is net als onze overheidsadministraties gepolitiseerd. Hoewel wervings- en selectieprocedures wel enigszins het kaf van het koren scheiden, blijft steun van een politieke partij onontbeerlijk. De kortste weg naar een topbenoeming loopt nog steeds via een politiek kabinet. Na een of twee legis-laturen schuiven de kabinetschefs en hun adjuncten door naar het overheidsapparaat. Het kabinet als een bestuurlijke ‘tour of duty’, als u wil.

Cabinettards

Niet iedereen is het erover eens dat dat een slechte zaak is. De betere ‘cabinettards’ zijn harde werkers die dag en nacht klaarstaan voor hun minister. Het zijn dossiervreters en netwerkers. Aan hun passage langs het kabinet houden ze een uitgebreid adressenboekje over. Kabinetten zijn bovendien knooppunten van macht in de Belgische besluitvorming. Meer nog dan politieke partijen en misschien zelfs ministers, bepalen de kabinetschefs het beleid. Kabinetten worden daarom wel eens de universiteiten van de echte politiek genoemd. Waarom zouden we dan niet rekruteren onder de alumni van de kabinetsschool?

Cabinettards zijn echter vaak ook straatvechters. Ze hebben geleerd hoe macht werkt en ze weten hoe gelijk te krijgen, ook als ze geen gelijk hebben. Marc Descheemaecker noemt Jannie Haek, ex-CEO van de NMBS-holding en voormalig kabinetschef van Johan Vande Lanotte, een intelligente maar brutale machtsspeler.

Dat profiel past de kabinetschefs wel vaker. Na hun topbenoeming krijgen de cabinettards plots een nieuwe rol. Ze worden nu verondersteld het politiek beleid loyaal uit te voeren. Sommige topambtenaren gooien hun kabinetsveren met verve af en schikken zich in hun nieuwe rol. Anderen onderhouden wel hun partijpolitieke netwerken. Ondertussen zijn er nieuwe kabinetten aan de slag die denken ‘te weten hoe het werkt’.

Het gevolg van dat mechanisme is een groot wantrouwen tussen politiek en de overheidsbedrijven, maar ook binnen het overheidsapparaat. De beste kans om dat zichzelf voedende mechanisme te stoppen, is het afslanken van de politiek kabinetten. We hebben eigenlijk een soort Moesen-norm nodig. Elke legislatuur 25 procent minder bijvoorbeeld, en dat tot er een klein politiek secretariaat overblijft.

Verplaatsing

De partijpolitieke vertakkingen in overheidsbedrijven suggereren een grote greep van de politiek op het overheidsapparaat. Er is echter nog iets anders aan de hand: een proces van depolitisering. Politieke keuzes worden steeds vaker buiten de politieke arena genomen. Luc Huyse sprak over de verplaatsing van de politiek. De macht van de traditionele politieke instituties lekt langzaam weg naar belangengroepen, wetenschappers, bedrijfsleiders en internationale organisaties.

Vandaag kunnen we ook de overheidsbedrijven aan dat lijstje toevoegen. Zie bijvoorbeeld de recente klacht van de burgemeester van Mechelen, Bart Somers, over de voor de steden ongrijpbare beslissingen van de Lijn. De verzelfstandiging van overheidsagentschappen en de contractualisering van de relaties met de politieke overheid hebben dat politieke verplaatsingsproces de jongste jaren nog versterkt.

Het valt ook op dat topmanagers van overheidsbedrijven politieke vragen scherp stellen die politici misschien liever uit de weg gaan. Roger Kesteloot van De Lijn stelde het streven naar basismobiliteit in vraag. Marc Descheemaecker stelt dan weer voor financieel onrendabele treinen af te schaffen en tarieven te verhogen. Het is goed dat overheidsmanagers zich daarover uitspreken. Maar het is wel politiek zonder politici die op hun keuzes afgerekend kunnen worden.

Overheidsbedrijven hebben nood aan een kaderstellende politiek. Aan politici die zich bezighouden met de maatschappelijke keuzes, en niet met micromanagement. Voor mobiliteits ligt trouwens veel werk op de plank. De verstrengeling van overheidsbedrijven met de partijpolitiek maakt het moeilijk die kaders te stellen. Er staat altijd wel een of ander lokaal, electoraal of institutioneel belang op de wip. Maar als politici geen keuzes maken, dan gebeurt het elders wel. We mogen de relatie van de politiek met haar overheidsbedrijven daarom niet reduceren tot een partij moddercatch. Het is belangrijker dan dat.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud