Advertentie

Naar een duidelijke taakverdeling bij overheidsbedrijven

©rv

Een van de belangrijke werven voor de nieuwe federale bewindsploeg is een duidelijk kader scheppen voor haar overheidsbedrijven. Het gedoe van de jongste maanden rond de opgelegde loonmatigingen leverde een niet zo fraai spektakel op: de vaudeville rond Johnny Thijs bij Bpost, het lagere loon van Dominique Leroy bij Belgacom dat dan toch hoger bleek, en nu weer de discussie over het loon van Jean-Paul Servais bij de financiële toezichthouder FSMA.

Door Bram Verschuere

We kunnen blijven bekvechten over de lonen en de (on)zin van een loonplafond. Maar daar doe ik niet aan mee. Essentiëler is dat uit deze discussie telkens weer blijkt dat het de overheid ontbreekt aan een duidelijk referentiekader om de relatie met haar bedrijven vorm te geven.

Die relatie bestaat uit twee belangrijke componenten. Enerzijds is er de autonomie van elk overheidsbedrijf, dat zelfstandig een aantal taken uitvoert zoals bijvoorbeeld het openbaar vervoer (De Lijn, NMBS), posterijen (Bpost), toezicht op financiële markten (FSMA) of telecommunicatie (Belgacom). Er zijn verschillende redenen waarom de overheid beslist zulke taken te laten uitvoeren door autonome bedrijven. Bijvoorbeeld voor een snellere beleidsvoering. Door taken uit het soms trage politieke besluitvormingsproces te halen kan korter op de bal gespeeld worden, en kan het overheidsbedrijf klantgerichter functioneren in sectoren die (deels) ‘vermarkt’ zijn. Of het kan nodig zijn om de politieke interventie te verminderen in sectoren die gebaat zijn bij enige ‘neutraliteit’ (zoals het toezicht houden op bepaalde sectoren). Die autonomie impliceert dat de bedrijfsvoering flexibeler wordt, en dat een bedrijf zijn middelen (financiën, personeel, …) zelf kan beheren. Het bepalen van het loon van de medewerkers, inclusief de CEO, hoort daar ook bij.

Anderzijds moeten de aandeelhouders hun belangen in de gaten kunnen houden. De overheid heeft dus het recht om toe te zien dat haar belangen in het bedrijf gerespecteerd worden. Vandaar dat contracten worden afgesloten. Daarin staan de beleidsdoelen die het bedrijf moet halen, liefst ook met concrete targets en indicatoren om prestaties te meten. Dat moet toelaten dat de overheid op strategisch niveau kan opvolgen of het bedrijf de taken uitvoert die de overheid belangrijk vindt: bijvoorbeeld een tijdige postbedeling en een comfortabel openbaar vervoer tegen een redelijke prijs. In de ideale wereld is dat dus de verhouding: de strategische sturing gebeurt door de aandeelhouders (zoals de overheid) op het niveau van een aantal beleidsdoelstellingen, maar het overheidsbedrijf kan het dagelijkse beheer autonoom bepalen.

De loondiscussie toont aan dat het in de praktijk vaak anders uitpakt. Door zich te mengen in de loondiscussie breekt de overheid feitelijk in in de autonomie van het bedrijf. Ook dat valt te verklaren. Onderzoek leert dat de kans op politieke interventies bij verzelfstandigde agentschappen zoals overheidsbedrijven groter wordt naarmate de politieke gevoeligheid van wat het bedrijf doet, stijgt; naarmate de budgettaire impact van het bedrijf groter is, en naarmate er een bestuurlijke traditie is waarbij er sterke verwevenheid is tussen politiek, overheid en de top van de agentschappen. Dat zijn drie voorwaarden die minstens deels toepasbaar zijn op onze voorbeelden. Want de zaken waarmee organisaties als de NMBS, Bpost of de FSMA bezig zijn, komen vaak in het nieuws en zijn belangrijk voor veel mensen, en dus politiek relevant. Bovendien keren de bedrijven dividenden uit waardoor ze impact hebben op het budget van de overheid. En omdat de topposities in overheidsbedrijven vaak politieke benoemingen zijn, is er sprake van bestuurlijke verwevenheid.

Labille heeft gelijk

Alvast op één punt heeft minister van Overheidsbedrijven Jean-Pascal Labille dus gelijk: de wet van 1991 op de overheidsbedrijven is aan hervorming toe. Laat ons hopen dat die hervorming in de toekomst leidt tot een evenwichtige relatie tussen de overheid en haar bedrijven. Evenwichtig betekent dat er afdwingbare garanties komen voor de beheersmatige autonomie van het bedrijf, in weerwil van de (te verklaren) drang die politici soms voelen om toch tussenbeide te komen. En dat er voldoende mogelijkheden zijn voor de belangrijkste aandeelhouders (zoals de overheid) om te sturen, maar dan op strategisch niveau via beheerscontracten die regelmatig worden hernieuwd in functie van de wijzigende omstandigheden.

 

Bram Verschuere is docent overheidsmanagement aan UGent

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud